Column: Allerheiligen en Allerzielen

Sinds de eerste lockdown in het voorjaar probeer ik op zaterdagmiddag een rondje van vijf kilometer te wandelen. Dit weekend werkte het weer mee, de zon in mijn gezicht, de Domtoren in de verte.

En als ik zo ver en hoog kan kijken, dan verdwaal ik in het landschap en ben ik even uit de tijd en in de eeuwigheid. Zo ervaar ik dat echt, daarom is wandelen zo fijn. Ik wandel niet meer, maar het wandelt in mij. Ik denk niet meer, er wordt tegen mij gedacht en gepraat. Alsof ik ergens anders ben.

Als je wandelt ben je even in de eeuwigheid en bestaat er geen lockdown meer

Dan kan het gebeuren dat mijn vader en moeder tegen me praten, me een hart onder de riem steken en me moed inspreken. Ik vertel wat er thuis gebeurt, hoe het met de kinderen gaat en dat ik de kleinkinderen zaterdagochtend heb getraind op het voetbalveld.

Dat is de paradox van een lockdown: je mag niemand meer aanraken, je moet afstand bewaren, je hebt zelfs de plicht om mondkapjes te dragen, maar soms lijkt het wel alsof je meer dan ooit verbonden bent met je dierbaren die er niet meer zijn. Mijn vader en moeder zijn al dertien en vijftien jaar dood, maar dichterbij dan ooit als ik wandel. Daarvoor hoef ik niet naar hun graf. Als je wandelt ben je even bij hen in de eeuwigheid en bestaat er ook anderhalf uur geen lockdown meer. Mijn vader en moeder zijn me zo heilig en worden tijdens zo’n wandeling ten diepste verbonden met mijn ziel. Dat is zielsverbondenheid. Die reikt verder, dieper en hoger dan welk virus ook.

Maar zo’n wandeling brengt ook verbondenheid met mensen die nog leven. Mondkapjes verbieden geen groetende handen en bellende fietsers. En soms stopt er iemand, zoals een vrouw die me meeneemt naar de slootkant. Daar wijst ze naar een prachtige rode paddenstoel. En zoals de voormalige molenaar uit een dorp verderop. Zijn vrouw is kort geleden overleden en begraven vanuit onze kerk. Hij stapt van de fiets af om te vertellen dat hij iedere zaterdagmiddag een kaarsje bij zijn vrouw opsteekt.

Ik ben ontroerd: als je wandelt ben je ondanks de anderhalve meter verbonden met je naasten, de doden en levenden, de zielen die je heilig zijn.