Column: Ik ben ingeënt

KRO-NCRV-redacteur Christian van der Heijden werkt ook als parttime geestelijk verzorger in een verpleeghuis. Euforisch doet hij verslag van zijn inenting met het coronavaccin.

Ramses Shaffy was als een kind zo blij toen hij op 10 februari 1977 voor het eerst een Nederlands paspoort kreeg. Op het Amsterdamse stadhuis riep hij in beschonken toestand tegen alle aanwezige loketbeambten: “Mag ik jullie ontzettend bedanken voor de medewerking! Ik heb er lang over gedaan, maar ik ben Néderlander! Fantastisch”.

Een vergelijkbare euforie maakte zich van mij meester toen ik op 12 januari 2021 het bewijs van inenting kreeg. Halfdronken van blijdschap kon ik alle mensen in Hal G van de RAI Amsterdam wel zoenen: de veiligheidsmensen, de controleur van de vereiste paperassen, de inentster en de vrijwilligers van het Rode Kruis. Voordat ik het pand verliet, kreeg ik nog een goodiebag mee naar huis. Daarin zat onder meer een potje met ontkiemde bloembolletjes.

Een geweldige eer om als een van de eersten ingeënt te worden

In mijn aderen was die dinsdagavond de eerste dosis van het coronavaccin van BioNTech/Pfizer gespoten. Drie weken later zal de tweede dosis worden toegediend. En één week daarna zal ik beschermd zijn tegen besmetting met het coronavirus dat al bijna een jaar lang de wereld in zijn greep houdt. Helemaal beschermd? Er zou nog 10 procent kans zijn op besmetting. Dus van die mondneusmaskers ben ik voorlopig nog niet verlost. Dat komt pas bij het bereiken van voldoende groepsimmuniteit.

Ik vond het een geweldige eer om als een van de eersten ingeënt te worden. Aangezien ik nog een andere baan heb, kwam ik ervoor in aanmerking. Als parttime geestelijk verzorger in een verpleeghuis heb ik ervaren hoe het virus toesloeg en zijn ontwrichtende gang ging. Sinds derde kerstdag zijn er bij ons negen bewoners aan COVID-19 overleden. Dat hakt er behoorlijk in, kan ik u zeggen. Zelf raakte ik medio september besmet, gelukkig met slechts milde symptomen. Tientallen collega’s die in de directe zorg werken, hadden minder mazzel. Nog steeds kampen zij met restverschijnselen, zoals vermoeidheid, lusteloosheid en angst.

Mijn euforie is gewekt door het licht aan het einde van de tunnel. Soms neemt dat licht in mijn geest een shaffyaanse gedaante aan. Aan de binnenkant van mijn ogen bekijk ik mijzelf en al mijn naasten, die zonder mondkapje in een volle kroeg luidkeels ‘Mens durf te leven’ staan mee te zingen. Het volle leven is samenleven, zonder angst voor elkaars adem en zonder vrees om van een ferme handdruk of een warme omhelzing ziek te worden. Laat het postcorona-tijdperk maar ontkiemen! Het begint met een prik in je bovenarm.

Geschreven door:

Christian van der Heijden

Schrijft levensbeschouwelijke artikelen voor de KRO-NCRV en werkt als geestelijk verzorger.