Duurzaam wildplukken, hoe dan?

5 minuten leestijd

We gingen op pad met Wies Teepe, wie ons leerde hoe je duurzaam wildplukt. Les één: pluk nooit meer dan tien procent van wat er staat.

Bij de ingang van het Amsterdamse Bos staat Wies Teepe al te wachten. Ze is natuurgids en biologe en vandaag neemt ze ons mee de natuur in. In haar fietstas zitten twee stokbroden, een paar eieren en een bakje roomkaas, want: 'Alleen de plant opeten, is ook zo saai!’

We beginnen onze zoektocht bij de gele kornoelje. “Als de gele bloemetjes bestoven worden, komen er in de late zomer ovale, rode bessen uit”, vertelt Wies. “Je kunt er heerlijke jam van maken. De jam krijgt dan een intense frisse, zure smaak. Volgens mij is het een van de lekkerste jams die er is. Het bijzondere is dat deze smaak niet te vinden is bij gekweekt fruit."

Als je wilde planten eet, leer je hele unieke smaken kennen

"Bij gekweekt fruit kiezen ze namelijk altijd voor een niet al te uitgesproken smaak, zodat zoveel mogelijk mensen het lekker vinden. Bij wilde planten vind je vaak sterke en bijzondere smaken die je nergens anders tegenkomt. Als je wilde planten eet en klaarmaakt, zal je merken dat je hele unieke smaken leert kennen.”

Het zevenblad is de volgende plant die op de route ligt. Wies plukt zowel een jong als een oud zevenblad. “Het jonge blad heeft nog geen stevige celwand. De inhoud van de cel, waar de aroma’s, mineralen, vitamines in zitten, is er bij het jonge blad veel makkelijker uit te halen. Planten zijn zo goed voor ons, ze beschermen ons tegen ziektes. Eigenlijk eten wij veel te weinig planten.” Het smaakt zacht, kruidig en lijkt op de smaak van wortel. “Het is familie van peterselie. We gaan hier zo een heerlijk omelet van maken!”

daslook
Daslook
kornoelje
kornoelje

Via een begroeid trappetje vervolgen we onze weg dieper het bos in. In ons vizier ligt een open veldje vol met planten met brede, platte bladeren: daslook. Bij dit kruid kun je al je zintuigen gebruiken. Dus, voel, kijk, ruik... Het kruid voelt ruw, stroef en zacht tegelijk. En het ruikt lekker: een beetje knoflookachtig.

Wies: “Hier gaan we zo een kruidenboter van maken, of eigenlijk: onkruidenboter... Maar: bij duurzaam wildplukken pluk je nooit meer dan tien procent van wat er staat.”

Wies houdt plotseling haar pas in en duikt naar beneden. “Ah, hier komen we aan bij mijn favoriete plant: de wilde tuinkers!” Ze plukt er een, kneust hem en ruikt eraan: “Ik ruik een heerlijke aroma. Het is heerlijk in een salade en het mooie is: je vindt de wilde tuinkers het hele jaar door.”

Stappend door het modderige bospad, lopen we verder naar de laatste plant die we zullen plukken: lieve vrouwe bedstro. “In eerste instantie ruik je niet zoveel, maar je moet het plantje eerst kneuzen voordat je ruikt.” En inderdaad: er is een heerlijke karamelachtige geur vrijgekomen. Eerlijk is eerlijk, het ruikt heerlijk. “Je kunt er heerlijke limonade, ijs of thee van maken.” Dus, hup! Ook het lieve vrouwe bedstro gaat in het zakje om meegenomen te worden.

We openen de deur van een donkergroen geschilderd huisje en pakken de plastic tasjes vol plantjes. Wies snijdt de daslook, mengt de versgesneden snippers door de roomkaas en smeert onze knapperige crackers ermee vol.

De lieve vrouwe bedstro laten we trekken in het gekookte water en van de eitjes, wilde tuinkers en het zevenblad maken we een heerlijke, goudbruine omelet. Even later beginnen we aan onze welverdiende lunch uit de natuur.