Atheïsme

Atheïsme is de overtuiging dat God niet bestaat.

Geen god
Het woord 'atheïsme' is samengesteld uit het Griekse α (a) dat 'niet' betekent en θεος (theos) dat 'god' betekent. Atheïsten ontkennen niet alleen het bestaan van een persoonlijke God, maar ook het bestaan van meerdere goden of een of andere goddelijke werkelijkheid.

19de eeuw
In het algemeen wordt atheïsme opgevat als een denkstroming. Deze overtuiging is van betrekkelijk recente datum. De eerste theoretische atheïsten stammen uit de 19de eeuw. De belangrijkste vertegenwoordigers van het atheïsme waren: Ludwig Feuerbach (1804–1872), Karl Marx (1818-1883), Friedrich Nietzsche (1844-1900) en Sigmund Freud (1856-1939). In de 20ste eeuw was het vooral Jean-Paul Sartre (1905-1980) die het atheïsme 'predikte'.

Feuerbach en Marx
Volgens de Duitse geleerde Feuerbach was God een menselijke projectie. Wat de mens op aarde niet kan bereiken, projecteert hij op een illusionaire goddelijke wereld. God heeft dus niet de mens geschapen, maar de mens heeft bij wijze van spreken God geschapen. Deze projectietheorie was van grote invloed op Marx. Volgens deze filosoof en econoom uit Trier is het geloof in God niet wezenlijk voor het mens-zijn, maar is het een ziekteverschijnsel. Vandaar dat hij godsdienst 'opium voor het volk' noemde. God is voor Marx een troostmiddel voor het volk dat in ellende verkeert. Ook wordt God volgens hem gebruikt als een idee waarmee de onderdrukte klassen 'zoet' worden gehouden. 

Nietzsche
De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, zoon van een dominee, verklaarde dat God dood is. Gelovigen zijn volgens hem slappe mensen die niet echt durven te leven. Hun waarden en normen getuigen volgens Nietzsche van een 'slavenmoraal'. De Übermenschen daarentegen handelen volgens een Herrenmoral. Zij laten zich slechts door het 'leven' de wet voorschrijven en niet door een zelf geconstrueerd opperwezen.

Sartre
Nietzsches opvatting was van grote invloed op een 20ste-eeuwse filosofie die vaak wordt aangeduid als existentialisme. Jean-Paul Sartre, een vertegenwoordiger van deze stroming, leerde dat God een vrije zelfontplooiing van de mens in de weg staat. Met een alles bestierende God op de achtergrond kan een individu immers nooit echt de verantwoordelijkheid voor zijn daden nemen, omdat hij zich altijd kan beroepen op zijn geschapen menselijkheid. Alleen als een mens zijn fundamentele vrijheid accepteert, aldus Sartre, kan hij zelf zijn eigen waarden en normen ontwerpen.

Freud
Volgens de Weense neuroloog en psychiater Sigmund Freud was het geloof in God in eerste instantie een normaal verschijnsel in de menselijke ontwikkeling. Maar het moest wel overwonnen worden, omdat God een infantiele illusie is. Net als Feuerbach dacht Freud dat de mens zijn onvervulde wensen projecteert. God als vaderfiguur ontspruit uit een kinderlijk verlangen naar warmte en bescherming. Pas als iemand erkent dat God een wensdroom is, kan hij volwassen worden. Blijft hij hangen in die kinderlijke neigingen, dan leidt dat tot psychische schade, zo dacht Freud.

Antwoord van de Kerk
Het document Gaudium et Spes van Vaticanum II zegt over het atheïsme: “In haar trouw zowel aan God als aan de mensen kan de Kerk niet aarzelen om deze verderfelijke theorieën en praktijken, die in tegenspraak zijn met de rede en met de algemeen-menselijke ervaring en de mens in zijn ingeboren voortreffelijkheid te kort doen, met alle kracht, zij het met droefheid, af te keuren, zoals zij dat al eerder heeft gedaan. Toch tracht zij de in de geest van de atheïsten verborgen redenen voor een godsontkenning te begrijpen en is zij van oordeel, zich bewust van de ernst van de kwesties die het atheïsme opwerpt en evenzeer geleid door liefde jegens alle mensen, dat deze kwesties aan een serieus en diepgaand onderzoek dienen te worden onderworpen.” (zie Gaudium et Spes, nrs. 19, 20, 21)