'Wie vouwde jouw parachute?'

Er was eens een voormalige piloot van het Amerikaanse leger die ergens in New York op een terrasje zat. Ooit was hij neergeschoten boven Vietnam en met zijn valscherm veilig beneden gekomen. Vervolgens was hij zes maanden krijgsgevangen geweest. Op dat terrasje komt er een man naar hem toe die zegt: ‘Hé, jij bent toch Charles. Ik dacht dat jij neergeschoten was!’

‘Hoe weet jij dat nou?’ vraagt Charles aan die man, die hij niet kent.

‘Ik werkte op hetzelfde vliegdekschip, en ik vouwde jouw parachute,’ antwoordt de man. Op dat moment realiseert Charles zich dat iemand die hij niet kent ervoor had gezorgd dat hij nu nog in leven is door het allereenvoudigste werk te doen dat er bij de luchtmacht bestond: het vouwen van de parachutes.

Wie vouwde jouw parachute? Mooie vraag.

Als hij voorop mijn fiets zat en ik liedjes in z’n oortje zong, lachte hij blij

Ik loop door het heerlijke herfstbos en snuif die geliefde geur van overvloed op.

Hè! Ineens weet ik waar ik aan het dwalen ben. In deze laan heb ik gewoond. Als au pair, tijdens mijn laatste conservatoriumjaar.

Ik sta stil bij de villa van weleer en zie een klein stukje van het tuinhuisje in de achtertuin. Daar schreef ik ‘s avonds mijn eindscriptie. In de ochtend en namiddag zorgde ik voor de drie kinderen in de villa. Hoe heetten ze ook alweer? Zij was al twaalf. Hij tien. En de jongste was een baby. Met hem had ik de hele dag het rijk alleen. Zijn moeder was bang dat de baby doof was. Maar als hij voorop mijn fiets zat en ik liedjes in z’n oortje zong, lachte hij blij. Oost-Indisch doof. Verder niks ernstigs.

Ik schrik op. Plotseling stuift er een fiets over het grindpad van de villa. Knerpend komt die voor mijn voeten tot stilstand. Ik sta oog in oog met een beeldschone jongen van een jaar of vijfentwintig. Krullen. Knuisten. Uit de kluiten. Hij heeft een vioolkist op z’n rug en lacht naar me. Ik steek m’n hand op. Weg is hij. De baby van toen. Ik vouwde zijn parachute. Uh, ik bedoel zijn luier. Hij opende mijn moederhart.