Palmzondag, 29 maart 2026
Verkondiging door pastoor Arjan Bultsma
St. Franciscusbasliek, Bolsward
Lezingen:
Matteüs 21, 1-11
Jesaja 50, 4-7
Filippenzen 2, 6-11
Matteüs 27, 11-54
De keuze tussen Barabbas en Jezus is geen eenmalige keuze. Natuurlijk, we hoorden net hoe Pontius Pilatus voorstelde om eenmalig te kiezen tussen één van beide. Wie zal hij vrijlaten? Een enkele keuze, die overigens laat doorschemeren dat Jezus op dat moment in feite al veroordeeld was. Ook al moest dit nog worden uitgesproken en zat het de landvoogd kennelijk niet lekker. Hij wast zijn handen in onschuld, legt Jezus niettemin zijn kruis op en laat Barabbas vrij.
De manier waarop de evangelist Matheus deze geschiedenis presenteert, laat evenwel zien dat het hier om meer dan een eenmalige keuze gaat. Het draait namelijk niet alleen om de beide personen, Jezus en Barabbas. Het gaat ook om hetgeen waarvoor ze staan. Het gaat om hun programma, hun levensvisie en hun levensmissie.
Van Barabbas wordt gezegd dat hij een verzets- of vrijheidsstrijder is. De heersende Romeinen noemden zo iemand een oproerkraaier. Zijn naam, Bar-Abbas, betekent zoon van de vader. Barabbas betoont zich trouw aan zijn voorvaderen en wil ook voor hun idealen vechten. Hij ziet een land voor zich, het beloofde land, waar zijn volk eindelijk na vele eeuwen weer ongestoord Gods volk zou kunnen zijn. Levend in en vanuit het verbond met Abraham. Zonder last van vreemde invloeden en Romeinse dreiging. Barabbas wil vrede. Laat daar geen misverstand over bestaan. Hij is bereid zijn leven daarvoor te geven. Maar óók om andere levens daarvoor te nemen.
Jezus komt in de geschiedenis die de evangelist Matheus vertelt heel anders naar voren. Niet omdat zijn aanspraken bescheidener zouden zijn. Of omdat wat Jezus zegt en doet minder politiek geladen zou wezen. In Romeinse ogen is Jezus evengoed een oproerkraaier, die mensen ertoe brengt om voor de verkeerde persoon te juichen. Een goede onderdaan juicht immers alleen voor de keizer!
De mensen in Jeruzalem blijken echter ook om Jezus te juichen en hosanna te zingen. Dat Jezus daarbij op een ezel de stad binnenkomt, maakt het alleen maar erger. De goede verstaander herkent namelijk meteen de woorden van de profeet Zacharia: “Jubel luid, gij dochter Sion, juich, gij dochter Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, rechtvaardig en zegevierend; hij is deemoedig, hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin” (Zacharia 9, 9).
In heel de vertelling van Jezus’ lijden zien we dit koningsmotief als een rode draad terugkeren: de vraagstelling van Pontius Pilatus, de bespotting door de soldaten en het boven Jezus’ hoofd gespijkerde bordje. Zelfs het schertsen over Jezus als de Zoon van God hoort hierbij. In Romeinse ogen gold de keizer immers als een godenzoon.
De slotwoorden in het net gehoorde passieverhaal kwamen uit de mond van een honderdman: “Waarlijk, Hij was Gods zoon”. Met deze woorden wordt die ene keuze als een vraag aan ons allemaal voorgelegd. Wie laten we vrij? Barabbas of Jezus, de Christus? Anders gezegd, met wie wensen we het leven te delen? Welk programma gaan we volgen? Van wie verwachten we het ware heil?
Beiden leefden ervoor om ons vrede te schenken. De een zaagt daartoe met geweld aan de poten van de keizerstroon. De ander laat het onvoorstelbare gebeuren en tart elke wereldse logica door als Zoon van God te sterven aan het kruis van een slaaf. Daarmee de vermeende zekerheid tartend, dat wie het zwaard voert het voor het zeggen heeft.
Aan wie willen we ons hechten? Barabbas, die met zwaarden vecht? Of Jezus die niet doodt, maar zich laat doden. Sterker nog, die in dat dramatische moment ons zwaarste lot deelt, de ervaring van godverlatenheid incluis.
De honderdman geeft als eerste een antwoord: “Waarlijk, Hij wás Gods Zoon”. Meer kon hij ook niet weten en bevroeden.
Wij zijn vandaag aan de Goede Week begonnen en gaan in de komende dagen het lijden en sterven van de Heer gedenken en zijn verrijzenis vieren.
Niet als louter een herinnering aan wat ooit gebeurde, maar als een steeds weer even actuele en indringende vraag: wie ís Hij? Wensen we, door lijden en dood heen, zijn vrede? Of laten we toch liever Barabbas vrij?