Een van de wezenskenmerken van de Ene God is zijn almacht. In het eerste artikel van de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel wordt Hij genoemd: ‘de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is’.

In de katholieke traditie wordt Gods almacht verbonden met zijn identiteit als schepper van alles wat bestaat en als Degene die alles in stand houdt. In de liturgie bidt de priester dat Hij “leeft en heerst tot in de eeuwen der eeuwen”. 

‘Almachtig’ (Grieks: παντοκράτορα [pantokratora], Latijn: omnipotens) is een menselijke taaluiting en schiet daarom altijd tekort om God adequaat te beschrijven. Sint-Thomas van Aquino zegt dat “wij van God niet kunnen begrijpen wat Hij is, maar slechts wat Hij niet is, en in welke verhouding de andere wezens tot Hem staan” (Summa contra gentiles 1,30). Vandaar dat God in de Goddelijke Liturgie van Sint-Johannes Chrysostomos wordt geprezen als de “onuitsprekelijke, onbegrijpelijke, onzichtbare en ongrijpbare”.

De Catechismus van de Katholieke Kerk noemt drie eigenschappen van Gods almacht: “Wij geloven dat de almacht van God universeel is, want God die alles geschapen heeft, regeert alles en kan alles; zij is liefdevol, want God is onze Vader; zij is mysterievol, want alleen het geloof kan haar onderscheiden, immers, ‘kracht wordt in zwakheid volkomen’ [2 Kor. 12, 9]” (alinea 268). 

Gods almacht impliceert zijn alwetendheid en zijn algoedheid. Dit duidt echter een mysterie aan dat alleen in geloof is te verstaan. Niettemin is het zinvol om de term ‘almacht’ rationeel proberen te doorgronden. 

Het theologische begrip ‘almacht’ is problematisch. Dat is door diverse filosofen aangetoond aan de hand van bijvoorbeeld de Paradox van de Steen en de kwestie van de theodicee.  

De beroemde Paradox van de steen, mogelijk als eerste geformuleerd door islamitische aristotelici (geleerden die de wijsbegeerte van Aristoteles aanhingen). De bekendste formulering van deze paradox luidt: 'Als God almachtig is kan Hij dan een steen scheppen die zo zwaar is dat Hij deze zelf niet kan optillen?' Als het antwoord ja is, dan maakt zijn almacht Hem in dat geval onmachtig, wat erop neerkomt dat Hij dus niet almachtig is. Als het antwoord nee is, dan wijst dat er ook op dat Hij niet almachtig is. 

De theodicee is de kwestie van Gods almacht in het kader van het kwaad in de wereld: 'Waarom staat God toe dat er zoveel kwaad en leed in de wereld is?' Grijpt God niet in omdat Hij niet almachtig is? Als Hij wel almachtig is, waarom staat Hij het dan toe? Is God dan wel de algoede? Het antwoord dat in de katholieke traditie vaak is gegeven is het leerstuk van de oerzonde (Latijn: peccatum originale) en het liefdevol intact laten van de vrije wil. Maar wat heeft het menselijk leed dat wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld natuurgeweld daarmee te maken? Al het kwaad, zo leren sommige kerkleraren, is te verklaren door de zondeval, ook die van de duivel (een gevallen engel) en de demonen.