Biechten is het belijden van je zonden aan een daartoe bevoegde priester in de hoop daarmee absolutie (vergeving door God) te verkrijgen.
Het Nederlandse werkwoord ‘biechten’ komt van het zelfstandig naamwoord ‘biecht’ (Duits: Beichte). Het is oorspronkelijk een Germaans tweelettergrepig woord, bestaande uit het voorvoegsel bi- (= ‘bij) en gicht (= ‘bekentenis’). Dat laatste komt van het Middelnederlandse gien (= ‘een verklaring afleggen’), verwant aan het Oudhoogduitse gehan (‘bekennen’). Het voorvoegsel bi- zou een vertaling zijn van het Latijnse con- in confessio (= ‘belijdenis’).
De handeling van het biechten of het te biecht gaan heeft betrekking op de persoon die een bekentenis doet. Degene die de bekentenis aanhoort wordt ‘biechtvader’ genoemd.
Vaak wordt ‘biecht’ beschouwd als een synoniem van ‘sacrament van boete en verzoening’. Biechten vertegenwoordigt echter slechts één onderdeel van het sacrament. De andere onderdelen zijn: het aanhoren van de biecht; het vaststellen van de boete (‘penitentie’); de aanzegging van de vergiffenis van de opgebiechte zonden door de priester; het daadwerkelijk ontslag van de zonden (‘absolutie’) door de priester, die dat doet ‘in de persoon van Jezus Christus’; en de uitvoering van de opgegeven penitentie.
De persoonlijke zondenbelijdenis aan een priester is geleidelijk ontstaan en was niet vanaf het begin precies zo georganiseerd als later in de rooms-katholieke traditie. In de eerste eeuwen van het christendom werden zware zonden door gedoopte gelovigen vaak openlijk beleden ten overstaan van de verzamelde geloofsgemeenschap. Boetedoening was doorgaans een publieke aangelegenheid en kon soms maar één keer in het leven worden opgelegd; na het verrichten van de boete in een daartoe vastgesteld tijdbestek, werd de boeteling weer opgenomen in de geloofsgemeenschap, zodat hij of zij weer kon deelnemen aan de eucharistie.
Vanaf de vijfde eeuw ontwikkelde zich in de Keltische kerken van onder meer Ierland, Wales en Schotland een andere praktijk. Monniken legden regelmatig hun fouten en tekorten voor aan geestelijk leidsman. Deze private biecht kon vaker worden herhaald. De beleden zonden werden gekoppeld aan vastgestelde boetes of penitenties; daar bestonden zelfs speciale handboeken voor: libri poenitentiales. Ierse missionarissen verspreidden deze gewoonte vervolgens over het Europese continent.
Tussen de zevende en elfde eeuw werd de persoonlijke biecht aan een priester steeds gebruikelijker in West-Europa. Uiteindelijk stelde het Vierde Lateraans Concilie in 1215 vast dat iedere katholiek ten minste eenmaal per jaar zijn zonden moest biechten. Daarmee werd de individuele biecht een vaste kerkelijke praktijk.
Het individueel belijden van zonden tegenover een zogeheten biechtvader, werd ‘oorbiecht’ genoemd omdat het in alle discretie werd gedaan: in het oor van de priester. Wat hem door de penitent werd toevertrouwd was alleen bestemd voor zijn oren.
Wat in het vroege christendom een publieke aangelegenheid was, werd in de hoge middeleeuwen een uiterst private zaak. De beleden zonden vielen voortaan onder ‘het zegel van geheimhouding’ oftewel het ‘biechtgeheim’. Het schenden daarvan werd een van de zwaarste vergrijpen die een priester kon plegen.
Vanaf de zestiende eeuw werd in de kerken speciaal meubilair aangebracht waarmee de discretie van de biecht werd benadrukt: de biechtstoel.