Gustave Doré, ‘De boetvaardige Maria Magdalena’ (detail), 1880.

Boetvaardigheid is strikt genomen de bereidheid om boete te doen. 

Het Nederlandse woord ‘boetvaardig’ betekent doorgaans ‘berouw hebbend’. Na de middeleeuwen werd het woord boetveerdich gebruikt als vertaling van het Latijnse pœnitens (= ‘berouwvol’, ‘rouwmoedig’). Het is gevormd uit ‘boete’ en ‘vaardig’. 

‘Vaardig’ betekent hier niet ‘bekwaam’ of ‘kundig’, wat in andere contexten wel het geval is, maar ‘bereid’ of ‘gereed’ (vergelijk het Duitse fertig [= ‘klaar’]). ‘Boetvaardigheid’ betekent dus letterlijk ‘bereidheid om boete te doen’; een synoniem kan ‘berouw’ zijn. 

In de Catechismus van de Katholieke Kerk (CKK, Latijn: Catechismus Catholicæ Ecclesiæ) zijn de alinea’s 1430-1433 gewijd aan het thema ‘innerlijke boetvaardigheid’ (interior pœnitentia). Deze tekst valt binnen de catechese over het Sacrament van Boete en Verzoening.

De CKK maakt een onderscheid tussen uiterlijke boetvaardigheid en innerlijke boetvaardigheid. Als bijvoorbeeld een schijnheilige persoon bereid is om boetewerken te verrichten om daarmee de buitenwereld te laten zien hoe vroom hij wel niet is, dan is zijn boetvaardigheid niet hetzelfde als berouw om begane zonden of rouwmoed vanwege de menselijke zondigheid. In spirituele zin betekent ‘boetvaardigheid’ dus niet per se ‘berouw’; of het daarmee synoniem is hangt immers af van de intentie van de bereidheid tot boetedoening.  

De oproep van Jezus Christus tot boetvaardigheid betreft niet zozeer de bereidheid tot het verrichten van boetedaden die voor iedereen zichtbaar zijn, maar de bekering van het hart. “Zonder deze innerlijke bekering blijven de werken van boetvaardigheid vruchteloos en leugenachtig; de innerlijke bekering daarentegen zet ertoe aan deze houding uit te drukken in zichtbare tekens, gebaren en werken van boetvaardigheid” (CKK, 1430).

“De innerlijke boetvaardigheid houdt een grondige heroriëntering van heel het leven in, een terugkeer, een, bekering van ganser harte tot God, een afzien van de zonde, een afkeer van het kwaad, met daarbij een weerzin tegen de slechte daden die bedreven werden. Tegelijkertijd wekt zij in ons het verlangen en het besluit ons leven te veranderen, met daarbij de hoop op de goddelijke barmhartigheid en in het vertrouwen op de hulp van zijn genade. Deze bekering van het hart gaat vergezeld van een heilzame smart en droefheid, die de Kerkvaders animi cruciatus (zielskwelling) of compunctio cordis (rouwmoedigheid van het hart) hebben genoemd” (CKK, 1431).