Christiaan van Troyes is een van de voornaamste schrijvers, dichters en trouvères van het middeleeuwse Frankrijk. Hij is een van de eerste auteurs van ridderromans.
Chrètien, geboren omstreeks 1130, was afkomstig uit Troyes, een bisschopsstad in de Champagne. Zijn literaire werkzaamheid was in de periode 1160-1175. Over zijn leven is weinig bekend. Hij overleed tussen 1180 en 1190.
Chrétien verbleef aan het hof van graaf Hendrik van Champagne, wiens vrouw Marie een belangrijke beschermvrouwe van de kunsten was. Chrétien noemt haar als opdrachtgever van zijn roman Lancelot ou le Chevalier de la Charrette. Ook was hij waarschijnlijk op latere leeftijd in dienst van Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen. Zijn onvoltooide Perceval ou le Conte du Graal droeg hij aan Filips op.
Chrétien schreef onder meer zes ridderromans uit verzen van acht lettergrepen met platte rijm zonder afwisseling. Daarbij werd hij geïnspireerd door de Bretonse en Keltische legendes over de Britse koning Arthur en de zoektocht naar de Graal.
- Over koning Marc en Ysalt de Blonde (Tristan en Isolde), verloren gegaan;
- Érec en Énide, rond 1170;
- Cligès of de valse dood, rond 1176;
- Lancelot of de Ridder van de Kar (tussen 1175 en 1181, de roman werd voltooid door Godefrois de Lagny);
- Yvain of de Ridder met de Leeuw (rond 1175-1181);
- Perceval of het Verhaal van de Graal (rond 1182-1190, onvoltooid).
Dankzij deze romans werd Chrétien ‘de vader van de Arthur-roman’ en ‘de uitvinder van de middeleeuwse roman’ genoemd. Deze werken heten romans, omdat zij niet in het Latijn zijn geschreven maar in de Romaanse volkstaal.
In de romans van de Ronde Tafel is Arthur de hoofdfiguur. Toch staat deze legendarische Britse koning niet centraal in de verhalen die Chrétien bedacht. De protagonisten zijn bekende ridders als Yvain, Lancelot, Perceval, Gauvin of Érec, wier ethos door de hoofsheid wordt bepaald.
De basis van Chrétiens verhalen is de zoektocht van het personage naar erkenning en zelfkennis, evenals naar de juiste omgang met anderen, zoals met hovelingen in Camelot en met de beminde koningin Guinevere. Terwijl het begin van de roman een gelukkige held laat zien die perfect is geïntegreerd in de ridderlijke wereld, ontstaat er vervolgens een crisis. Daardoor ontdekt de ridder dat er iets ontbreekt wat zijn leven echt gelukkig kan maken. Vanaf dat moment begint hij aan een queeste die dit gemis zal opvullen. Dat verloopt via een innerlijke strijd tussen liefde en avontuur, die aan het einde van de roman wordt opgelost door de aanvaarding en de synthese van beide.
In tegenstelling tot het heldendicht, dat een patriottisch thema heeft (bijvoorbeeld het verhaal van Karel de Grote door de Paladijnse ridder Roland) en waarvan de zoektocht ‘collectief’ wordt genoemd, gaat het in de romans van Chrétien om een persoonlijke strijd van de individuele ridder. Alleen hijzelf moet in zijn zoektocht naar de Graal tal van fysieke, magische en spirituele beproevingen doorstaan.
Het is bekend dat Franciscus van Assisi vóór zijn bekering een fervent lezer van de Franse ridderromans was. Wellicht daardoor aangestoken deed hij verscheidene pogingen om zelf ridder te worden in de hoop hoofse liefde te vinden. Zijn ambitie mislukte toen hij krijgsgevangene werd gemaakt in een oorlog tussen Assisi en Perugia. Na zijn bekering liet de idee van de ridders van de Ronde Tafel hem echter niet los. De door hem gestichte gemeenschap van minderbroeders streefde een vergeestelijkt en geweldloos heldendom na.