Fideïsme is een wijsgerige opvatting over de relatie tussen geloof en rede. Volgens fideïsten levert alleen het geloof kennis van God op. De Katholieke Kerk beschouwt het fideïsme als een dwaling.

De term fideïsme komt van het Latijnse fides (= ‘geloof’). Het geloof in Gods openbaring is volgens de fideïstische visie de enig mogelijke toegang tot begrip van godsdienstige waarheden. Fideïsten wijzen daarom de natuurlijke theologie af.

De term is waarschijnlijk voor het eerst gebruikt door Auguste Sabatier  (1839-1901), een van de stichters van de Protestantse Theologische Faculteit van Parijs. Hij verklaarde zichzelf fideïst omdat hij objectieve kennis over God afwees en geloofswaarheden beschouwde als symbolische uitdrukkingen van een subjectief religieuze intuïtie.

Binnen het fideïsme bestaat er diversiteit. Extreme fideïsten beweren dat godsdienstige dogma’s volslagen onredelijk en zelfs absurd zijn. Gematigde fideïsten menen daarentegen dat hoewel de dogma’s niet met de ratio zijn te bedenken, ze toch niet irrationeel zijn; daardoor is het mogelijk a posteriori – nadat ze met geloof zijn beaamd – ze door middel van de ratio te verhelderen.

Extreem fideisme komt bijvoorbeeld voor bij de kerkvader Tertullianus (ca. 160-220), aan wie de zegswijze credo quia absurdum (‘ik geloof omdat het ongerijmd is’) wordt toegeschreven. In de vroegmoderne filosofie duiken elementen van radicaal fideïsme op in bepaalde stromingen binnen het protestantse denken, met name als reactie op de intellectualistische theologie van de Scholastiek. Zo ondermijnde de Franse filosoof Pierre Bayle (1646-1706), een Hugenoot die naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was uitgeweken, systematisch de betrouwbaarheid van de rede in de theologie, met het argument dat de rede geheid tot skepsis leidt en dat het geloof daarvan los moet staan. Hij presenteerde zichzelf zeker niet als verdediger van irrationeel geloof, maar zijn argumenten zijn wel vaak opgevat als ondersteuning van fideïstische conclusies.

Een lichte vorm van fideïsme wordt aangetroffen bij kerkvader Augustinus van Hippo 354-430). Vooral zijn opvatting dat het geloof nodig is om de werkelijkheid beter te begrijpen (credo ut intelligam), is soms als gematigd fideïstisch aangemerkt. Dat geldt ook voor zijn bewering dat de waarheid van de openbaring niet primair afhankelijk is van individuele rationele verificatie maar van de autoriteit van de Bijbel en het kerkelijk leergezag.

Blaise Pascal (1623-1662) is het schoolvoorbeeld van de gematigde fideïst. Hoewel hij tegenover het vermogen van de rede geen scepticus is, acht hij de rede in geloofskwesties vrij machteloos. In zijn Pensées schrijft hij ‘Le cœur a ses raisons que la raison ne connaît point’ (= “Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent”). Volgens Pascal bestaat er een kennisvorm (via ‘het hart’) die onafhankelijk is van de discursieve rede. Ook staat er: ‘C’est le cœur qui sent Dieu, et non la raison’ (= “Het is hart dat God voelt en niet de rede”). Hier stelt hij expliciet dat het ervaren van God niet via rationele bewijzen verloopt, maar via een innerlijk ‘aanvoelen’.

Het Eerste Vaticaans Concilie (1869–1870), veroordeelt het fideïsme niet expliciet, maar verwerpt wel duidelijk de kernpositie die later als fideïstisch wordt aangemerkt. In de dogmatische constitutie Dei Filius stelt het concilie dat het bestaan van God met de natuurlijke rede kenbaar is: “Wie zegt, dat de ene en ware God, onze Schepper en Heer, met het natuurlijke licht van het menselijk verstand, door dat wat gemaakt is, niet met zekerheid gekend kan worden, die zij vervloekt” (canon II,1). Daarmee wordt een zuiver fideïstische positie, de opvatting dat openbaringsgeloof niet op enige rationele rechtvaardiging steunt, als een dwaling aangeduid. Tegelijk veroordeelt het concilie wel expliciet de tegenovergestelde positie: “Als iemand zou beweren dat de goddelijke openbaring geen enkel mysterie in de eigenlijke zin van het woord bevat, maar dat alle geloofsleerstellingen door een goed geschoolde rede aan de hand van natuurlijke beginselen kunnen worden begrepen en bewezen: hij zij vervloekt” (canon IV,1).