Een gardiaan is de hoofdverantwoordelijke van een plaatselijke communiteit van minderbroeders (franciscanen, conventuelen of kapucijnen).
De Nederlandse term ‘gardiaan’ (in de middeleeuwen gardiaen of gardijn) komt van het Italiaanse guardiano, ontleend aan het Oudfranse guardenc en gardien. Het is de nomen agentis die is afgeleid van het Oudfranse werkwoord garder (= ‘bewaken’, ‘[be]hoeden’, ‘bewaren’,) dat afkomstig is van het Frankische warda.
Het woord guardiano werd in de twaalfde en dertiende eeuw tijd vaak gebruikt om daarmee een herder of een veehouder aan te duiden.
Sint-Franciscus van Assisi besloot zichzelf eens op zijn omzwervingen onder de hoede te stellen van een van zijn gezellen. Die broeder noemde hij zijn guardiano.
Franciscus wilde dat minderbroeders in uiterst schamele onderkomens zouden verblijven, zeker niet in stenen gebouwen. Locaties waar zij in gemeenschap leefden werden ‘conventen’ genoemd. De hoofdverantwoordelijke van deze conventen had de taak om te waken over het gebedsleven (vooral het onderhouden van het Officie oftewel het Getijdengebed) en de broederlijkheid, vandaar dat hij ‘bewaker’ (guardiano) werd genoemd.
In de eerste Regel van Franciscus is echter van ‘gardiaan’ nog geen sprake. De hoofdverantwoordelijke voor minderbroedergemeenschappen noemt Sint-Franciscus minister. Dat Latijnse woord betekent ‘dienaar’, iemand die minder (minus) is – in tegenstelling tot magister, een meerdere, van magis (= ‘meer’).
Strikt genomen is een minister of een gardiaan geen overste of superieur, in de zin dat die boven iemand is gesteld. Franciscus wilde wat dat betreft dat zijn broedergenootschap niet zou lijken op een monastieke communiteit waar een abt of prior macht heeft over de andere monniken.
Hoewel Franciscus streefde naar een niet al te hiërarchische inrichting van zijn gemeenschap, eiste hij wel van alle minderbroeders strikte gehoorzaamheid te betrachten jegens de verantwoordelijken die tot leiders waren aangesteld.
De term ‘gardiaan’ komt vijf keer voor in de Geschriften van Franciscus, in drie verschillende teksten: ‘Brief aan een minister’ (12,14); ‘Brief aan de gehele Orde’ (47); en ‘Testament’ (27,30). In de ‘Brief aan de gehele Orde’ komt het woord ‘gardiaan’ voor als een van de drie benamingen
die worden gebruikt om de eerste hiërarchie binnen de minderbroederorde aan te duiden: minister, custos en gardiaan. De meest gebruikte term is ongetwijfeld die van ‘minister’ (84 keer), die zowel voor algemene als provinciale hoofdverantwoordelijken van de orde wordt gebruikt. De term ‘custos’ (Latijn voor ‘bewaker’) komt op de tweede plaats (17 keer), en ten slotte ‘gardiaan’ (5 keer).
In de beginjaren van de Orde der Minderbroeders duidden al deze termen op de verantwoordelijke rol van een broeder ten opzichte van groepen broeders, zowel grote als kleine. Al spoedig werden de rollen duidelijker onderscheiden en begon de titel van minister betrekking te hebben op het bredere niveau (de provincie), die van custos op het tussenliggende niveau (de afdelingen binnen de provincies), en de titel ‘gardiaan’ op het lokale niveau. In tegenstelling tot de minister, die belast is met het bezoeken van de broeders omdat hij niet dagelijks bij hen woont, werd de gardiaan de broeder die samenleeft met een kleine groep broeders waarvoor hij verantwoordelijk is. Deze communiteiten werden na een periode van het rondtrekken van stad naar stad en van kluis tot kluis geleidelijk stabieler en meer gevestigd.
Franciscus’ gebruik van de term ‘gardiaan’ verwijst bovenal naar gehoorzaamheid. Tweemaal verklaart hij dat ook hijzelf zijn gardiaan wil gehoorzamen en hij nodigt zijn gezellen uit hetzelfde te doen. Eens nodigt hij de broeders uit om hun toevlucht te nemen tot de gardiaan wanneer zij een doodzonde hebben begaan (‘Brief aan een minister’, 14).
In de vroegste biografische bronnen verwijst de term ‘gardiaan’ bijna altijd naar de broeder aan wie Franciscus vroeg om in de laatste zes jaar van zijn leven als zijn bewaarder te worden aangesteld, na zijn aftreden als minister-generaal. “Hij legde niet alleen het ambt van generaal neer, maar vroeg ook, ter wille van de gehoorzaamheid, om een speciale bewaarder die hij als zijn persoonlijke overste zou eren”, schrijft Thomas van Celano in diens tweede levensbeschrijving. Franciscus bevestigt deze keuze in zijn Testament wanneer hij zegt: “En ik wens vastberaden de algemene minister van deze broederschap te gehoorzamen en de andere gardiaan die het hem behaagt mij te geven. En ik wens zozeer een gevangene in zijn handen te zijn dat ik nergens heen kan gaan of iets kan doen dat buiten de gehoorzaamheid en zijn wil valt, want hij is mijn meester” (Testament 27-28). In dit specifieke geval is de gardiaan echter een persoonlijke leider, uitsluitend voor Franciscus — en dus enigszins anders dan de rol van een gewone gardiaan binnen de broederschap.
De tegenwoordige spirituele, juridische en broederlijke rol van de gardiaan staat uitvoerig beschreven in de door het canoniek recht geschraagde constituties en statuten van elke van de drie nog bestaande minderbroederorden: franciscanen, conventuelen en kapucijnen.
Hoewel Franciscus geen kloosters wenste, begonnen de minderbroeders zich door de eeuwen heen toch meer als kloosterlingen te gedragen en gingen ze zelfs in stenen gebouwen wonen. Terwijl men in Italië een onderkomen van bedelorden ‘convent’ (convento) blijft noemen, spreekt men in het Nederlandse taalgebied wat dat betreft toch van franciscaner kloosters. Een gardiaan wordt er over het algemeen gedefinieerd als ‘overste van een franciscanen- of kapucijnenklooster’.