Godsvrucht (Latijn: religio) is volgens de katholieke leer een morele deugd. Die stelt de mens in staat om in een liefdevolle houding alles aan de Schepper te geven wat Hem toekomt. De voornaamste uiting van godsvrucht is de aanbidding.
Het Nederlandse woord godsvrucht (= ‘vroomheid’, ‘godvrezendheid’) en het Duitse Gottesfurcht betekenen letterlijk ‘vrees voor God’. Het bijbehorend bijvoeglijke naamwoord luidt: ‘godsvruchtig’ of ‘godvruchtig’.
Gottesfurcht en godsvrucht zijn gevormd naar voorbeeld van het Latijnse timor dei en het Grieks phobos theou. ‘Vrees’ of ‘angst’ moet hier uitgelegd worden als ontzag en overweldigde eerbied voor Gods grootsheid.
Kerkleraar Thomas van Aquino schrijft in zijn Summa Theologiae over de deugd religio. Zijn leer is voor een groot deel overgenomen in de Catechismus van de Katholieke Kerk. In de Nederlandstalige editie daarvan is religio vertaald als ‘godsvrucht’.
Religio is een van de vele morele deugden. Een morele deugd is een door oefening verworven duurzame en standvastige attitude waardoor het gemakkelijk wordt om in vrijheid het goede te doen. De moraalfilosofie onderscheidt vier zogenoemde scharnierdeugden: voorzichtigheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid. Godsvrucht behoort tot de rechtvaardigheid, omdat het God geeft wat Hem als Schepper toekomt.
“De rechtvaardigheid is de morele deugd die bestaat in de voortdurende en vaste wil om aan God en de naaste te geven waar ze recht op hebben. Rechtvaardigheid tegenover God wordt ‘deugd van godsvrucht’ [Latijn: virtus religionis] genoemd. Rechtvaardigheid ten opzichte van de mensen leidt ertoe de rechten van ieder te eerbiedigen en in de menselijke verhoudingen de harmonie tot stand te brengen die de rechtschapenheid bevordert ten opzichte van de personen en het algemeen welzijn”, zegt de Catechismus van de Katholieke Kerk (CKK), alinea 1807.
De aanbidding van de Schepper is de eerste uiting van godsvrucht, omdat in de aanbidding Hij wordt erkend en geprezen als Enige Almachtige God. Het ligt in de aard van God om aanbeden te worden, vandaar dat de aanbiddingsplicht het voornaamste gebod is: “De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen” (Lc. 4,8), zegt Jezus met een beroep op het boek Deuteronomium (Dt. 6,13). Ook het gebod ‘Gij zult de naam van de Heer eerbiedigen’ behoort tot de godsvrucht.
In strijd met de deugd van godsvrucht zijn atheïsme, polytheïsme en afgoderij, waarzeggerij en magie, heiligschennis en simonie. Bijgeloof is in zekere zin een ontaarde overdrijving van de godsvrucht (CKK, 2110).