Een hagiografie is de beschrijving van het leven van een heilige.

Het woord ‘hagiografie’ is afkomstig van het Oudgriekse adjectief ἅγιος (= ‘heilig') en het substantief γραφία (= ‘schrift’).

Een hagiografie is een geschrift waarin vanuit gelovig perspectief het leven van een heilige wordt beschreven.

Vroegchristelijke hagiografieën kunnen bestaan uit een vita (Latijn voor ‘leven[sverhaal]’) van een heilige, een beschrijving van de daden of wonderen van een heilige (acta) of een verslag van het martelaarschap van een heilige (passio), dan wel een combinatie daarvan.

Aangezien een hagiografie was bedoeld om te worden voorgelezen, hetzij tijdens het kerkelijk nachtgebed (metten), hetzij publiekelijk door een predikant, werd zij vaak ‘legende’ genoemd (van het Latijnse legenda = ‘wat gelezen moet worden’). Pas in latere eeuwen kreeg de term ‘legende’ een pejoratieve betekenis: een verhaal dat verteld wordt om door middel van overdrijvingen en vrome fantasie het geloof van het kerkvolk op te wekken en daarmee een vaste verankering in de feitelijke geschiedenis ontbeert.

De beroemdste verzameling middeleeuwse hagiografieën is de Legenda aurea (‘De gulden legende’), samengesteld door de Genuaanse dominicaan Jacobus de Voragine (ca. 1230-1298). Rond 1400 werd Der Heiligen Leben samengesteld, de meest verspreide verzameling legenden in de volkstaal. Het ontstond in het dominicanenklooster van Neurenberg. Het werk is bewaard gebleven in bijna 200 handschriften en 33 Opperduitse en 8 Nederduitse drukken en was wijdverspreid in het gehele Duitstalige gebied, evenals in Nederland en Scandinavië.

In de renaissance ontstond bij de humanisten een behoefte aan kritische levensbeschrijvingen van heiligen. Desiderius Erasmus ging daar zelf mee aan de slag en schreef Hieronymi Stridonensis Vita(1516) over het leven van de kerkvader Hiëronymus van Stridon, die net als hij Bijbelvertaler was. In dit werk verwerpt Erasmus bijvoorbeeld de bekende legende dat Sint-Hiëronymus een leeuw had getemd, evenals de voorstelling dat hij kardinaal was geweest. In de inleiding van de vita zegt Erasmus dat hij de heiligen liever wil beschrijven zoals ze werkelijk waren. Een heilige hoeft niet door middel van wonderlijke verhalen te worden geïdealiseerd, omdat juist hun tekortkomingen volgens de in Rotterdam geboren humanist een bron van inspiratie kunnen zijn. Erasmus maakt een onderscheid tussen historische waarheid en stichtelijke fictie. Zelfs wanneer een verzonnen verhaal zou leiden tot morele verheffing, dan kan het volgens hem echter nooit de waarde van een betrouwbare weergave van de werkelijkheid evenaren.

De term ‘hagiografie’ verwijst sinds de renaissance in toenemende mate naar het resultaat van geschiedwetenschappelijk of filologisch onderzoek van het leven en het werk van een heilige. De kritische studie naar een heiligenleven wordt ‘hagiologie’ genoemd. Haar methodologie stelt de geleerde in staat onderscheid te maken tussen ideële constructies en de feitelijke werkelijkheid, tussen apologetische teksten en historische narratieven.

Een van de eerste vroegmoderne hagiografen in de Katholieke Kerk was de Vlaamse jezuïet Jean Bolland (1596–1665). Naar hem is het Genootschap van Bollandisten vernoemd. Deze vereniging van wetenschappers, filologen en historici (oorspronkelijk uitsluitend jezuïeten, maar tegenwoordig ook niet-jezuïeten) houdt zich sinds het begin van de zeventiende eeuw bezig met hagiologie, hagiografie en de verdediging en bevordering van een gezonde hagiolatrie (‘heiligenverering’). De belangrijkste publicatie van de bollandisten is de Acta Sanctorum (‘De Handelingen der Heiligen’).

‘Hagiografie’ heeft in het hedendaagse seculiere taalgebruik ook een negatieve betekenis. Als een biografie door een criticus wordt weggezet als hagiografie, dan bedoelt hij dat de biograaf geen kritische distantie tot diens object heeft betracht omdat deze met teveel bewondering en/of vergoelijking van fouten en tekortkomingen schrijft.