In Genesis is sprake van twee verschillende figuren met de naam Henoch: de zoon van Kaïn en de zoon van Jered. Die laatste heeft in de joodse en christelijke tradities de status van bijzondere aartsvader en profeet omdat hij net als Elia door God in de hemel zou zijn opgenomen.
In het vierde hoofdstuk van Genesis, het eerste boek van de Bijbel, staat dat Henoch de zoon was van Kaïn, de eerstgeborene van Adam en Eva. Kaïn stichtte een stad en noemde die naar zijn zoon (v.17). Op zijn beurt kreeg Henoch een zoon, Irad geheten (v.18).
In het vijfde hoofdstuk van Genesis staat dat Adam opnieuw een zoon verwekte, die hij Set noemde (v. 3). Een van Sets nakomelingen was Jered. Toen die 162 jaar was, verwekte hij Henoch en leefde toen nog 800 jaar (vv. 18 en 19). Toen Henoch 65 jaar was, verwekte hij Metuselach. Hij leefde na diens geboorte nog driehonderd jaar. Hij richtte zijn schreden naar God [ook vertaald met: ‘Hij wandelde met God’], en hij kreeg zonen en dochters. Heel de levensduur van Henoch bedroeg 365 jaar (vv. 21-23). In het volgende vers wordt opnieuw verteld dat Henoch zijn schreden naar God richtte. Zo kwam het dat hij verdween, omdat God hem wegnam (v. 24).
In het judaïsme ontstonden vanwege het mysterieuze einde van het aards bestaan van Henoch (zoon van Jered) tal van legenden over hem. Zo wordt het verhaal verteld dat hij de uitvinder zou zijn geweest van de schrift, de rekenkunde en de sterrenwichelarij. In de 2de eeuw vóór Christus ontstond een reeks henochitische geschriften, voornamelijk apocalyptisch van aard. De bekendste zijn de drie boeken van Henoch (1 Henoch; 2 Henoch; 3 Henoch). 1 Henoch dateert van de eerste twee eeuwen v. Chr.; de andere zijn van na Chr.
Van 1 Henoch waren slechts enkele fragmenten bekend, totdat in 1773 een vertaling van het integrale boek uit de Ethiopische canon opdook. Bij de vondst van de Dode-Zeerollen werden ook fragmenten van 1 Henoch gevonden.
1 Henoch bestaat uit 108 hoofdstukken, geschreven door diverse auteurs. Een belangrijk onderwerp betreft de engelenleer. Als oorsprong van het kwaad in de wereld wordt de val der engelen aangewezen.
In het Nieuwe Testament wordt uit dit boek expliciet geciteerd en wel in Judas 1,14.15:
Over hen ook heeft Henoch, de zevende na Adam, geprofeteerd, toen hij zei: ‘Zie, de Heer is gekomen met zijn heilige tienduizendtallen, om over allen gericht te houden en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze daden die zij in hun goddeloosheid bedreven hebben, en voor al de drieste woorden die de goddeloze zondaars tegen Hem hebben gesproken.’
Andere nieuwtestamentische verwijzingen vinden we in de Tweede Petrusbrief:
Want ook de engelen die zondigden heeft God niet gespaard, maar naar de onderwereld verwezen en in duistere holen opgesloten, in afwachting van het Gericht (2,4).
Hoewel er in het Nieuwe Testament aan 1 Henoch wordt gerefereerd, wordt dit boek door de meeste christelijke kerken en kerkelijke gemeenschappen als niet-canoniek beschouwd. In de Ethiopisch-Orthodoxe Tewahedo Kerk en in de Eritrees-Orthodoxe Tewahedo Kerk echter wel. Daar heeft het Boek van Henoch (1 Henoch) de status van het zestiende boek van de Bijbel.
[Alle hierboven gebruikte Bijbelcitaten komen uit de Willibrordvertaling, uitgave 1975.]