Het hogepriesterschap van Israël was een erfelijk ambt dat in de regel door één man werd bekleed. Het werd overgedragen van de vader op de oudste nog levende zoon.
De hogepriester (Hebreeuws: כֹּהֵן גָּדוֹל, kohēn gaḏol; Grieks: ἀρχιερεύς, archiëreus) stond aan het hoofd van de kohanim: de offeraars van het Mozaïsche verbond, die allen behoorden tot de stam Levi.
In de Hebreeuwse Bijbel wordt de term הַכֹּהֵן הַגָּדֹל (ha-kohēn ha-gaḏol) voor het eerst gebruikt in Leviticus 21,10, waar de specifieke regels voor de hogepriester worden beschreven.
De hogepriester speelde een bijzondere rol in de eredienst van JHWH die plaatsvond in de Tabernakel en later in de Tempel in Jeruzalem. Sinds de verwoesting van de Tempel door de Romeinen in het jaar 70 bestaat het Israëlische hogepriesterschap niet meer.
De eerste hogepriester van Israël was Aäron, de broer van Mozes. Zij behoorden tot de stam Levi. Eleazar was na de dood van Nadab en Abihu de oudste zoon van Aäron. Daarom volgde hij Aäron op als hogepriester. Pinechas volgde zijn vader Eleazar weer op.
Het hogepriesterlijk tenue, dat speciale vaklieden in opdracht van Mozes voor Aäron moesten maken (Exodus 28,2-39), bestond uit een borstschild, een efod (een soort schort), een me’il of opperkleed, een onderkleed van bewerkte stof, een tulband en een gordel. De me'il was een blauwpurperen kledingstuk zonder mouwen, met aan de zoom granaatappels en gouden klokjes. Daaronder kwam het onderkleed, met mouwen; dit viel ook tot op de voeten. De me’il werd onder de efod gedragen.
De hogepriester was belast met het brengen van de zondeoffers voor zijn eigen zonden en voor die van het volk, en met het brengen van de verschillende voorgeschreven handelingen op Jom Kippoer (Grote Verzoendag) (Leviticus 16). Dat deed hij in het Heilige der Heiligen van de Tabernakel en daarna de Tempel, waar alleen hij mocht komen.
Er werden bijzondere eisen van cultische reinheid aan hem gesteld (Lev. 21,10-15). Bepaalde zaken waren wel geoorloofd voor de gewone priesters, maar niet voor de hogepriester. Zo mocht een gewone priester zich met betrekking tot zijn ouders, wanneer die gestorven waren, ritueel verontreinigen, de hogepriester niet. Een priester mocht wel met een weduwe trouwen, de hogepriester absoluut niet. Die mocht alleen met een Israëlitische maagd trouwen.
Vooral na de Babylonische ballingschap, toen er geen koning meer was, steeg de macht en het aanzien van de hogepriester.
Ten tijde van Jezus van Nazareth was Kajafas de hogepriester. In het Nieuwe Testament wordt vermeld dat ook Kajafas’ schoonvader Annas hogepriester was; hoogstwaarschijnlijk werd daarmee bedoeld dat die het hoofd was van een machtige priesterfamilie of dat die hogepriester was geweest en nog wel de hogepriesterlijke waardigheid genoot.
In het Nieuwe Testament wordt Jezus Christus aangeduid als de μέγας ἀρχιερεύς (megas archiëreus, ‘verheven hogepriester’). De betekenis van Christus wordt uitgelegd aan de hand van de JHWH-cultus, zoals in Hebreeën 9,11.12:
Maar nu is Christus gekomen, de hogepriester van het waarachtige heil. De tent van zijn priesterschap is groter en volmaakter dan de vorige; ze is niet gemaakt door mensenhand, dat wil zeggen, ze behoort niet tot onze geschapen wereld. Het bloed van zijn offer is zijn eigen bloed, niet dat van bokken en kalveren. Zo is Hij het heiligdom binnengegaan, eens voor altijd, en Hij heeft een eeuwige verlossing verworven.
In de Vulgaat, de Latijnse Bijbelvertaling, wordt kohēn gaḏol vertaald met sacerdos maximus, terwijl ἀρχιερεὺς in het Nieuwe Testament wordt vertaald met pontifex.