Kaleb, zoon van Jefunne, is een figuur uit het Oude Testament. Hij was een van de twaalf verspieders die door Mozes naar het land Kanaän werden gestuurd tijdens de omzwervingen van de Israëlieten door de woestijn na de uittocht uit Egypte. Later ontving hij een erfelijk bezit in Hebron, in het land Kanaän. Kaleb wordt vooral genoemd in de boeken Numeri, Deuteronomium, Jozua en Rechters. Hij wordt beschouwd als een toonbeeld van trouw aan de beloften van JHWH.
De Hebreeuwse persoonsnaam kālev (כָּלֵב) is hoogstwaarschijnlijk de verkorte vorm van een genitiefconstructie, bestaande uit een zelfstandig naamwoord (kālev = ‘hond’) en een bepalend element, dat oorspronkelijk een theofoor (een eigennaam die de godsnaam bevat) was, maar in deze verkorte vorm is weggelaten. Dat levert de betekenis ‘hond van (God)’ op. In deze context moet ‘hond’ worden begrepen als ‘trouwe dienaar’. In de Septuaginta wordt de naam weergegeven als Χαλεβ (Chaleb).
In het boek Numeri wordt Kaleb genoemd als een van de twaalf verkenners die door Mozes vanuit de woestijn Paran (de huidige Negev) naar het bewoonde land Kanaän werden gestuurd (hoofdstuk 13). Elk van de twaalf stammen leverde een verspieder; Kaleb was een representant van de stam Juda.
In Kanaän zagen de verkenners dat het land overvloeide van ‘melk en honing’ en dat er veel vruchten waren. Bij terugkomst joegen tien verkenners de Israëlieten angst aan met geruchten dat het land onneembaar was en bewoond werd door reuzen. Kaleb daarentegen zei dat het volk wel degelijk in staat was om Kanaän te veroveren. Hij durfde het aan – samen met Jozua – de Israëlieten aan te moedigen om te vertrouwen op Gods belofte met betrekking tot de inname. Dat kwam hem duur te staan, want hij werd bijna gestenigd. Alleen een goddelijke openbaring redde hem en herstelde het gezag van Mozes.
Hoewel God vervolgens het merendeel van de generatie uit de woestijntijd de toegang tot het land Kanaän ontzegde, ontving Kaleb van JHWH de volgende belofte: ‘Maar mijn dienaar Kaleb was van een andere geest bezield en is Mij steeds trouw gebleven. Daarom zal Ik hem in het land brengen waarin hij is doorgedrongen, en zijn nakomelingen zullen het bezitten’ (Numeri 14, 24.25). Volgens het boek Jozua werd deze belofte 45 jaar later vervuld: op hoge leeftijd slaagde Kaleb erin Hebron te veroveren, een oude Kanaänitische stad in het bergland van wat later Juda zou gaan heten (Jozua 14, 6–15).
Kaleb is de stamvader van de Kalebieten, die zich in de regio rond Hebron vestigden. Hij had een dochter genaamd Aksa (Jozua 15,16).
Hoewel Kaleb behoorde tot de stam van Juda, was zijn vader Jefunne volgens Numeri 32 en Jozua 14 een Kenizziet. Kenizzieten waren geen Israëlieten maar Edomieten. Waarschijnlijk was Jefunne of diens voorvader wegens zijn erkenning van JHWH in de Israëlitische stam Juda opgenomen.