Keizer Karel I was de laatste vorst van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Hij regeerde van 1916 tot 1918. Hij werd in 2004 zaligverklaard.
Karl Franz Josef Ludwig Hubert Georg Otto Maria von Habsburg-Lothringen werd geboren op 17 augustus 1887. Hij was de oudste zoon van aartshertog Otto Frans Joseph van Oostenrijk en achterneef van keizer Frans Josef I.
Toen zijn oom, kroonprins Frans Ferdinand, op 28 juni 1914 in Sarajevo werd vermoord, volgde Karel hem om op als troonopvolger. Na het overlijden van zijn oudoom Frans Jozef op 21 november 1916 trad hij aan als keizer van Oostenrijk (Karel I), als apostolisch koning van Hongarije (Karel IV) en als koning van Bohemen (Karel III) en van andere kroonlanden. Hij zag zijn troonsbestijging als een goddelijke roeping. Als diep godsdienstige man probeerde hij zijn beleid te baseren op katholieke principes.
Karel was in 1911 getrouwd met prinses Zita van Bourbon-Parma, die in 1916 keizerin-koningin werd. Zij kregen samen acht kinderen, onder wie kroonprins Otto von Habsburg.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog vormde Oostenrijk-Hongarije samen met het keizerrijk Duitsland, het Ottomaanse Rijk en Bulgarije de Centrale Mogendheden. Keizer Karel probeerde heimelijk vrede met de Geallieerden te sluiten, maar zijn verwoede pogingen mislukten door interne verdeeldheid en wantrouwen bij de vijand.
Bijna dagelijks woonde hij de Heilige Mis bij en geregeld ging hij te biecht. Hij had een sterke devotie tot het Heilig Hart van Jezus en tot de Maagd Maria.
Na de nederlaag van Oostenrijk-Hongarije in 1918 vaardigde Karel op 11 november 1918 een proclamatie uit, waarmee hij zijn ambtenaren van hun eed van trouw ontsloeg. Zelf trad hij echter nooit als keizer af. De volgende dag werde de Eerste Oostenrijkse Republiek uitgeroepen.
Karel werd door de Geallieerden gedwongen in ballingschap te gaan. Eerst verbleef het keizerlijk gezin in Zwitserland om vervolgens af te reizen naar het Portugese eiland Madeira in de Atlantische Oceaan. De Oostenrijkse Habsburgwet van 1919 verbood zijn terugkeer en nam de bezittingen van de Habsburgers in beslag.
Karel stierf op 1 april 1922 op Madeira aan de gevolgen van een longontsteking. Hij was slechts 34 jaar oud.
Op zijn hart na rusten zijn stoffelijke resten in de Kapel van Onze Lieve Vrouw van de Berg in Funchal, de hoofdstad van Madeira. Pogingen van zijn aanhangers om de resten in de keizerlijke grafkapel in de crypte van het Kapucijnenklooster in Wenen bij te zetten mislukten.
Karel wordt herinnerd als een tragische figuur, een jonge, vrome heerser die een rijk erfde dat al ten dode opgeschreven was door oorlog en nationalisme.
Vanaf 1925 verzamelde het aartsbisdom Wenen getuigenverklaringen en historische gegevens over het leven van de keizer om als basis te dienen voor een kerkrechtelijk proces ter zaligverklaring. Dat werd gehonoreerd en in 1949 ging in Wenen de diocesane fase van het proces van start. In 1995 werd een ‘positio’, een 2.650 pagina’s tellend dossier over het leven en werk van de keizer ter beoordeling voorgelegd aan de pauselijke Congregatie voor de Heiligverklaringen in Rome. Op 14 april 2003 erkende paus Johannes Paulus II officieel dat Karel de christelijke deugden op heldhaftige wijze had beoefend. Datzelfde jaar werd ook een wonder op zijn voorspraak erkend. Het betrof een medisch onverklaarbare genezing van de Pools kloosterzuster Maria Zita Gradowska, die aan vreselijke zweren op haar benen leed.
Op 3 oktober 2004 werd Karel op het Sint-Pietersplein in Rome door paus Johannes Paulus II zaligverklaard.
De feestdag van de zalige Karel werd niet vastgesteld op zijn sterfdag, maar op 21 oktober, ter herdenking aan zijn huwelijk met Zita van Bourbon-Parma, dat plaatsvond op 21 oktober 1911.