Jezus Christus wordt in het laatste boek van de Bijbel ‘de Leeuw uit de stam Juda’ genoemd.

In hoofdstuk 49 van het boek Genesis staat hoe de aartsvader Jakob vlak voor zijn dood zijn zoon Juda vergelijkt met een leeuw, de koning der dieren. Ook profeteert Jakob dat van Juda de “scepter niet zal wijken” (Gen. 49,10). Dit is in de Joodse traditie zo uitgelegd dat de Messias een nakomeling van Juda zal zijn. Een van de titels van de Messias is ‘Leeuw van Juda’ (Hebreeuws: אריה יהודה, Aryeh Yehudah; Grieks: Λιοντάρι του Ιούδα, Liontári tou Ioúda; Latijn: Leo Iuda; Amhaars: የይሁዳ አንበሳ, Yeyihuda Ānibesa).

In Openbaring, het laatste boek van het Nieuwe Testament, staat: Toen zei een van de oudsten: “Huil niet. Zie, de Leeuw uit de stam Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen, zodat hij de boekrol en de zeven zegels ervan kan openen.” (5,5) Deze overwinning op het kwaad is behaald door Jezus Christus, het Lam Gods, door zijn lijden, sterven en verrijzenis.

De Leeuw van Juda is ook een Joods nationaal en cultureel symbool. ‘Leeuw van Juda’ was ook een van de titels die door Ethiopische keizers uit de Salomonische dynastie werden gebruikt.