Het begrip liturgie duidt op de voltrekking van de religieuze eredienst oftewel de georganiseerde en rituele aanbidding van God en de viering van het heilsmysterie.

Het Nederlandse woord liturgie komt van het Latijnse liturgia, dat op zijn beurt is afgeleid van het Griekse λειτουργια (leitourgia): ‘openbare plichtsvervulling’, ‘bediening’, ‘ambt’. Een leitourgos is iemand die een openbare ceremonie of dienst verricht. Het is samengesteld uit leito- (‘publiekelijk’, van laos [= ‘volk’]) en -ourgos (‘die werkt’, van ergon (= ‘werk).

In het antieke Griekenland, met name in Athene, was de leitourgia een vorm van persoonlijke dienst aan de staat die burgers met een bepaald vermogen verplicht waren op eigen kosten te leveren wanneer daartoe werd opgeroepen. Er waren gewone en buitengewone ‘liturgieën’. De eerste soort bestond uit bijvoorbeeld de opvoering van dramastukken, muziek- en poëziewedstrijden, de viering van bepaalde feesten en andere openbare functies die kosten met zich meebrachten voor de ambtsdrager. De tweede bestond uit noodhulp, zoals bijdragen leveren aan de verdediging van de stad of het uitrusten van een galeischip in geval van oorlog.

In het Nieuwe Testament komt het zelfstandig naamwoord λειτουργία (leitourgia) meerdere keren voor. De betekenis is niet altijd hetzelfde als het latere kerkelijke woord ‘liturgie’. Voorbeelden:

  • Hebreeënbrief 8,6 – over de hogepriesterlijke bediening van Christus: “Hij heeft een voortreffelijker bediening (leitourgia) ontvangen.”
  • Hebreeënbrief 9,21 – over de voorwerpen die gebruikt werden in de offerdienst (tès leitourgias).
  • Lucas 1,23 – over de priesterlijke diensten (tès leitourgias) van Zacharias in de tempel.
  • 2 Korinthiërs 9,12 – de inzameling voor de gelovigen wordt een leitourgia genoemd, een dienst aan anderen.
  • Filippenzen 2,17 en 2,30 – Paulus gebruikt het woord leitourgia voor de dienst van het geloof en voor de ondersteuning die hij ontving.

Het bijvoeglijke naamwoord λειτουργικός (leitourgikos) komt in het Nieuwe Testament maar slechts één keer voor en wel in de Hebreeënbrief 1,14: οὐχὶ πάντες εἰσὶν λειτουργικὰ πνεύματα (‘zijn zij niet allen dienstdoende geesten’), wat gaat over de engelen.

In de late eerste en vroege tweede eeuw begint het woord een meer christelijk cultische kleur te krijgen. Bij auteurs als Clemens van Rome zoals (ca. 96 n.Chr.) wordt leitourgia soms gebruikt voor kerkelijke ambten en cultische handelingen, mede onder invloed van de taal van de Septuagint (de gezagvolle Griekse vertaling van het Oude Testament).

In de tweede en derde eeuw zien we bij kerkvaders als Ignatius van Antiochië en later Origenes dat leitourgia steeds vaker wordt verbonden met de eucharistie en het gemeenschappelijk gebed. Toch blijft het ook nog ‘publieke dienst’ betekenen. In de vroege Latijnse Bijbelvertalingen wordt leitourgia met officium of ministerium vertaald.

Pas vanaf de vierde eeuw krijgt λειτουργία steeds duidelijker de technische betekenis van de officiële christelijke eredienst, vooral de eucharistieviering. Bij oosterse bisschoppen als Johannes Chrysostomus en Basilius de Grote duidt leitourgia de viering van het eucharistisch geheim aan. Vandaar ook de namen van de Byzantijnse misvormen: de ‘Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomus’ en de ‘Goddelijke Liturgie van Basilius de Grote’.

In de Latijnse Kerk omvat het begrip liturgie veel meer dan alleen de eucharistieviering. Ook het Getijdengebed en de viering van alle andere sacramenten en sacramentaliën worden gerekend tot de officiële eredienst van de Katholieke Kerk. Het Getijdengebed wordt vaak Officium (‘Officie’) genoemd, het woord dat soms werd gebruikt om het Bijbelse leitourgia te vertalen.