Een mendicant is een lid van een katholieke bedelorde.
Het woord mendicant komt van het Latijnse mendicans, het tegenwoordig deelwoord van mendicare, dat ‘bedelen, om een aalmoes vragen’ betekent. Een mendicus was oorspronkelijk een kreupele; van menda (= ‘fout, lichamelijk gebrek’). In premoderne tijden waren kreupele mensen vaak aangewezen op aalmoezen.
In de elfde eeuw brak bij diepgelovigen het besef door dat de navolging van Christus niet gepaard kan gaan met weelde en economische macht. Dat leidde tot diverse nieuwe ketterse stromingen binnen het bredere geheel van de zogeheten Armoedebeweging. Deze drong echter ook door tot het orthodoxe katholicisme, zoals de kloosterhervorming van Cistercium (Cîteaux) in Bourgondië binnen het benedictijnse monasticisme.
Het zou nog tot begin twaalfde eeuw duren voordat er een nieuw type religieus ten tonele verscheen: de minderbroeder. Het was Franciscus van Assisi die Christus uitdrukkelijk niet als monnik wilde navolgen, maar als een thuis- en bezitloze prediker, aan iedereen onderdanig. Dit minorietenideaal behelsde radicale nederigheid. Minderbroeders moesten immers leven van aalmoezen. Franciscus hield zijn metgezellen voor zich niet te schamen om te bedelen.
Naast de franciscaanse mendicanten ontstonden andere gemeenschappen die het benedictijnse principe van zelfvoorzienendheid afwezen. Zo ontstonden er diverse bedelorden.
Vaak worden de leden van deze orden ‘monniken’ of ‘bedelmonniken’ genoemd, maar dat is onjuist omdat mendicanten zich juist duidelijk wilden onderscheiden van de monastieke religieuzen.
De vier bekendste mendicantenordes zijn: minderbroeders (franciscanen, conventuelen, kapucijnen), predikbroeders (dominicanen), karmelieten en augustijner eremieten (augustijnen).