Een non is een vrouw die religieuze geloftes heeft afgelegd omwille van het bereiken van een spiritueel doel: volmaaktheid, vereniging met God of verlichting. Nonnen komen voor in de diverse kerken van het christendom alsook in de boeddhistische wereld.
Het Nederlandse woord ‘non’ is via het Middelnederduitse nunne afkomstig van het Latijnse nonna, dat gebruikt werd ter aanduiding van een eerbiedwaardige moeder. Waarschijnlijk is het woord ontstaan uit kinderlijk gebrabbel, zoals dat met ‘mama’ het geval is. Eraan verwant zijn het Sanskritische nanā (= ‘mama’), het Perzische naneh (= ‘moeder’), het Griekse nanna (= ‘tante’), de Oudnoorse naam voor de godin Nanna, het Russische njanja (= ‘voedster’) en het Italiaanse nonna (‘oma’) en nonno (‘opa’).
Al in de vierde eeuw werd nonna/nonnus, bijvoorbeeld door Sint-Hiëronymus, gebruikt voor een vrouw/man die een Godgewijd leven leidt. ‘Non’ (Duitse: Nonne) betekent vanaf de negende eeuw uitsluitend ‘vrouwelijke kloosterling’.
Een christelijke non is een celibataire vrouw die zich geroepen voelt haar leven geheel aan God te wijden door middel van geregeld gebed en contemplatie, met name het Getijdengebed.
Strikt genomen zijn alleen leden van contemplatieve zusterordes nonnen, zoals benedictinessen, cisterciënzerinnen, clarissen en karmelietessen. Nonnen worden daarom ook ‘monialen’ (= vrouwelijke monniken) genoemd. Vroeger werden alle vrouwelijke religieuzen ‘nonnen’ genoemd, ook de leden van actieve congregaties die werkzaam waren in de zorg en het onderwijs. Zij vormden een belangrijke en vooral zichtbare maatschappelijke factor.
Nonnen zijn woonachtig in kloosters en hebben tegenover een kerkelijke autoriteit de plechtige geloften van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid afgelegd. Zij staan onder het gezag van een kloosteroverste (een abdis of priorin).
Tegenwoordig vindt een aantal vrouwelijke religieuzen van de Katholieke Kerk in Nederland het vervelend om met ‘non’ aangeduid te worden, omdat zij het als een verouderde term beschouwen en het vaak zelfs als een scheldwoord beleven. Dat heeft mogelijk te maken met stereotypen uit het kerkelijke verleden, begin eenentwintigste eeuw versterkt door het kerkelijk kindermisbruikschandaal. Mogelijk speelt ook mee dat het woord ‘non’ een gevoelsassociatie kan oproepen met de Nederlandse bastaardvloek ‘nondeju’, die er echter geen enkele betekenisverwantschap mee heeft. Kloosterzusters in het Engels taalgebied hebben er trouwens geen enkel probleem mee om aangeduid te worden met nun (‘non’).
De aanspreektitel van een non is ‘eerwaarde zuster’. Sommige katholieke nonnen in Nederland geven er de voorkeur aan niet alleen als ‘zuster’ aangesproken te worden maar ook ermee aangeduid te worden.
In het boeddhisme is het monastieke bestaan de snelste weg naar de verlichting. De oudste collectie boeddhistische geschriften is de Tipiṭaka (‘Pāḷi Canon’), bestaande uit drie zogeheten ‘manden’. In de eerste ‘mand’, Vinaya piṭaka, bevinden zich de voorschriften die Gautama Boeddha oplegt aan zijn volgelingen, zowel mannen als vrouwen, die als celibatairen het Achtvoudig Pad willen bewandelen. Deze groep bestaat uit bhikkhu's (‘monniken’) en bhikkhuni’s (‘nonnen’), die een speciale wijding hebben ontvangen. Naast de ‘gewone’ leefregels, zoals het verbod om geen enkel voelend wezen te doden, zijn de monniken en nonnen gehouden aan tal van monastieke voorschriften, zoals het verbod op individueel bezit, het gebod van het afscheren van hoofdhaar en het gebod om speciale kleiding te dragen.