Een oblaat is een christengelovige die zich op een bijzondere manier heeft verbonden aan één bepaald benedictijner klooster.
De term ‘oblaat’ is afgeleid van het Latijnse oblatus, wat ‘de aangebodene’ of ‘de opgedragene’ betekent (van het werkwoord offerre). Het oblaat-zijn wordt ‘oblatuur’ genoemd. En het zichzelf aanbieden als oblaat heet ‘oblatie’.
De oblatuur komt voort uit een middeleeuwse praktijk van families om een of meerdere kinderen aan te bieden aan een klooster (Latijn: oblatio puerorum). Het afstaan van een kind was niet alleen bedoeld als offer aan God. Het werd ook gedaan om het kind bestaanszekerheid als monnik te bieden. Vooral in adellijke kringen kwam oblatie voor. Zo werd de heilige Hildegard van Bingen als achtjarige als oblata overgedragen aan de zorg van de benedictijnse kluizenares Jutta van Sponheim, die leefde bij het mannenklooster Disibodenberg. Ook de heilige Thomas van Aquino werd in zijn jeugd door zijn ouders weggegeven en wel aan de abdij van Monte Cassino; hij zou echter geen monnik worden maar mendicant van de Orde der Predikers (dominicanen).
Aan het einde van de middeleeuwen werd de oblatuur uitsluitend een instituut voor volwassenen. Het Concilie van Trente (1545–1563) verbood de oblatie van kinderen en stelde voor bindende religieuze geloften een minimumleeftijd van 16 jaar vast (zitting XXV, can. 15).
Volwassen lekengelovigen maar ook seculiere geestelijken boden zichzelf en soms ook een deel van hun bezit aan ter wille van een specifiek klooster. Dat deden ze als een bijzondere vorm van navolging van Jezus Christus en wellicht ook om bepaalde privileges te verwerven. Paus Leo XIII stelde de status van benedictijner oblaten gelijk aan die van de tertiarissen, de leden van de Derde Orde van de bedelorden (bijv. franciscanen en dominicanen).
De Sint-Willibrordusabdij in Doetinchem schrijft op haar website over de tegenwoordige oblatuur het volgende: “Oblaten beloven het leven van Christus na te volgen met de Regel van Benedictus als richtsnoer. Ze zijn veel meer dan ‘vrienden of vriendinnen van het klooster’. Monniken en oblaten delen hetzelfde doel: ze zoeken God. (…) De kern van de oblatuur is dat je jezelf aan God aanbiedt in verbondenheid met een bepaald klooster. (…) Een oblaat is geen monnik-in-de-wereld. Je maakt een persoonlijke keuze hoe je jezelf overgeeft aan God en hoe je vormt geeft aan de Regel van Benedictus in je leven.”
In de Sint-Adelbertabdij van Egmond kunnen alle gedoopten oblaat worden, ook protestanten. “Mannen én vrouwen, van elke christelijke achtergrond, kunnen oblaat worden, maar zij verbinden zich wel aan een specifieke abdij (…)”, luidt het aldaar. “Oblaten zoeken hun leven als gedoopt christen te beleven en te voeden vanuit de liturgie en de benedictijnse spiritualiteit, met waarden als lezing en gebed, stilte, eenzaamheid en gemeenschap, gastvrijheid, en schoonheid. Zij willen trouw zijn aan de wereld, hun plaats in de samenleving in volle verantwoordelijkheid vervullen, maar ook uitdragen dat het goed is dat er kloosters zijn – als inspirerende en bemoedigende bakens in het leven.”
Wie de wens heeft oblaat te worden, kan zich bij een abdij of priorij melden. Als het goed is heeft de abt/abdis of prior/priorin een zogenoemde oblatenvader/oblatenmoeder aangesteld. Met deze monnik of moniale wordt de eerste kennismaking verricht en wordt eventueel de gelegenheid geboden een proefjaar te doen. Op den duur wordt er besloten of het voor beide partijen heilzaam is als de belangstellende kandidaat-oblaat wordt. Dat houdt in dat er een vormingstraject van een paar jaar zal worden afgelegd, wat kan worden afgesloten met de feitelijke oblatie. Die wordt meestal verricht tijdens een feestelijke eucharistieviering, waarbij de kandidaat-oblaat zijn of haar beloften van toewijding aan God, navolging van Christus in de geest van Sint-Benedictus en nauwe verbondenheid met de monniken van het betreffende klooster uitspreekt en ter bekrachtiging daarvan een oorkonde ondertekent.