Personen die door een godheid zijn geroepen om een boodschap te verkondigen, worden ‘profeten’ genoemd en hun handelen ‘profetie’.

Een profeet is ook iemand die over de toekomst spreekt omdat hij dankzij de godheid die hij vertegenwoordigt ziet welk onheil er dreigt. Een profeet is echter geen waarzegger, een persoon die op aanvraag voorspellingen doet. Wie speelt alsof hij een goddelijke boodschap overbrengt en de toekomst voorspelt, wordt een ‘valse profeet’ genoemd als die voorspellingen niet uitkomen of als zijn boodschap indruist tegen de wet van de godheid die hij zegt te dienen.

De term ‘profeet’ wordt ook in figuurlijke zin gebruikt. Dat duidt dan op iemand die een seculiere heilsleer vertegenwoordigt of met vooruitziende blik een hoopgevende boodschap uitdraagt.

Het Nederlandse woord ‘profeet’ is afgeleid van het Oudgriekse προφήτης [prophètès] = ‘voorspreker’, ‘boodschapper’, ‘voorspeller’).

In de Bijbel is dikwijls sprake van profeten, zowel die van JHWH als van afgoden. Het Oude Testament bestaat uit drie delen: de Wet, de Profeten en de Geschriften. Ook in de Wet en de Geschriften staan uitspraken en verhalen over profeten.

Het Hebreeuwse woord voor ‘profeet’ is נָבִיא (nābī). Dat betekent ‘spreker (namens een ander)’, ‘verkondiger’ en ‘vertolker van Gods woord’. Een profeet worden soms ook aangemerkt als ‘knecht van God’ en ‘dienaar van JHWH’. In de Bijbel is trouwens ook sprake van profetessen.

De Israëlitische profeten kwamen niet uit een bepaalde stam, noch behoorden zij tot een genootschap. Profeten kwamen uit alle geledingen; zij werden door God geroepen om het volk te waarschuwen of te vermanen. Vaak aanvaardden de uitverkoren profeten met grote tegenzin hun opdracht, omdat zij zichzelf niet capabel of sterk genoeg achtten ofwel omdat zij de reacties van het volk op hun profetieën vreesden. Bijna alle profeten van JHWH ondervonden grote weerstand van zowel koningen als het volk. Niet zelden beklaagden zij zich bij de Heer over hun zware roeping.

De profeten moesten de heersers oproepen tot gerechtigheid en sociale rechtvaardigheid. Zij klaagden de koningen aan als die niet ingrepen wanneer de Mozaïsche wetten niet werden nageleefd of als er sprake was van misstanden als afgoderij, uitbuiting van de armen, corruptie en vreemdelingenhaat.

Sommige profeten wijzen ook op de hypocrisie die optreedt wanneer de offercultus gepaard gaat met onrechtvaardigheid. Een mooi voorbeeld van een profetie die dat aanklaagt staat in het boek Micha: 'Waarmee zal ik voor JHWH treden, mij buigen voor God in den hoge? Zal ik voor Hem treden met brandoffers, met eenjarige kalveren? Zal JHWH behagen vinden in duizenden rammen, in tienduizenden beken olie? Moet ik voor mijn misdaden mijn eerstgeborene offeren, mijn kind voor de zonden die ik begaan heb?' 'JHWH heeft u gezegd wat goed is, mens, en wat Hij van u verlangt: Hij wil niets anders dan dat gij u houdt aan het recht, dat gij de trouw eerbiedigt, en u tegenover uw God ootmoedig gedraagt.' Hoor! JHWH roept tot de stad. Wie uw naam vreest wordt gered. Luister! Er komt een tuchtroede en gij weet wie die gezonden heeft! (Micha 6,6-9). 

Soms kregen profeten van God het bevel om zijn wil te bekrachtigen. Zo had de Heer de jonge herder David uit Bethlehem gekozen als nieuwe koning van Israël. De profeet Samuël moest daarop David tot koning zalven.

Sommige profeten van Israël werden zelf ook gezalfd. Zo zegt God in 1 Koningen 19,16 tegen Elia dat hij Elisa in zijn plaats tot profeet moet zalven. Toch wordt Elisa pas echt profeet als Elia zijn mantel over hem heen slaat.

Niet alle profeten van het Oude Verbond worden bij hun naam genoemd. Zo zijn er anonieme profetische figuren in de tijd van de Rechters. Dit zijn de namen van de bekende vroege profeten (vóór de koningen en vroege monarchie): Mozes, Aäron, Mirjam, Debora, Samuel. Dit zijn de profeten uit de tijd van de koningen: Nathan, Gad, Ahia, Semaia, Iddo, Azarja, Hanani, Jehu, Micha ben Jimla, Elia, Elisa. Dit zijn de zogeheten Grote Profeten: Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël. En dit zijn de zogenoemde Twaalf Kleine Profeten: Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggai, Zacharia en Maleachi.

Het Nieuwe Testament begint met het profetische optreden van Johannes de Doper. In de jonge kerken komen ook profeten voor. Zo staat in de Handelingen van Apostelen: In die tijd kwamen er van Jeruzalem profeten naar Antiochië. Een van hen, Agabus, maakte door de Geest bekend dat er over heel de wereld een grote hongersnood zou uitbreken, wat onder Claudius inderdaad gebeurde (11,28).

Na de uitstorting van de Heilige Geest is er sprake van de zogeheten charismata, de gaven van de Geest. Een van die gaven is de profetie. Daarvan wordt bijvoorbeeld melding gemaakt door Paulus in zijn eerste Korinthiërsbrief: Zet uw hart op de liefde. Maar streeft ook naar geestelijke gaven, vooral naar de profetie. Wie in vervoering spreekt, spreekt niet voor de mensen, maar voor God; hij uit in geestverrukking geheimzinnige klanken en niemand begrijpt hem. Maar wie profeteert, spreekt tot nut van anderen woorden van stichting, vermaning en troost. Wie in extase spreekt, sticht zichzelf; wie profeteert, sticht de hele gemeente. Ik gun u allen van harte het spreken in vervoering, maar ik heb liever dat gij profeteert. Een profeet is meer waard dan een extatische spreker, behalve wanneer deze laatste ook uitleg geeft, zodat de gemeente ermee gebaat is (14,1-5).