Natuurlijke theologie is de geleerde poging om kennis van God te vergaren zonder een beroep te doen op geloof in enige vorm van goddelijke openbaring.
De term theologie, van het Griekse woord θεολογία, is samengesteld uit θεός (theos = ‘God’) en λόγος (logos = ‘rede’, ‘woord’).
Theologie betekent dus ‘het denken over God’ maar ook ‘het spreken over God’.
Natuurlijke theologie, onderdeel van de metafysica, is het nadenken over God met alleen de rede als middel. Zij heet ‘natuurlijk’ omdat deze geleerdheid zich beperkt tot de verwerving van kennis uit de geschapen werkelijkheid (natura in het Latijn). Geloof in God op basis van een kennis die afkomstig is uit de ongeschapen werkelijkheid (res supernaturales = ‘de bovennatuurlijke zaken’) speelt – al dan niet methodisch – geen rol in de natuurlijke theologie.
Gelovige godgeleerden bedrijven natuurlijke theologie als zij willen achterhalen wat de natuur over haar schepper kan leren om zodoende het godsdienstige spreken over God beter te laten aansluiten bij het menselijke denken. Geleerden die geen geloof hechten aan goddelijke openbaringen, maar wel over God willen nadenken, bedrijven in dat geval natuurlijke theologie. De resultaten van dit denken wordt ook wel ‘wijsgerige godsleer’ genoemd.
In de Scholastiek geldt het adagium dat de wijsbegeerte dienstbaar moet zijn aan het spreken over God (Latijn: philosophia ancilla theologiae = ‘filosofie is de dienstmaagd van de theologie’). Volgens Thomas van Aquino is de filosofie vooral nuttig bij het rationeel schragen van een aantal basiswaarheden omtrent God. Zo leert hij dat het aannemen van het bestaan van God weliswaar noodzakelijk is voor het geloof in God, maar niet noodzakelijkerwijs van openbaring afhankelijk is. De rede is volgens Thomas immers in staat om het bestaan van God te bevestigen. Dat geldt volgens hem ook voor het dogma dat er slechts één God is. De wijsgerige theologie levert echter geen nooit directe kennis van God op maar altijd slechts indirecte kennis.
Tegenover de stelling dat natuurlijke theologie mogelijk is, staat het fideïsme. Fideïsten argumenteren dat directe maar ook indirecte kennis van God door middel van enkel de reden onmogelijk is en dat alleen het geloof (Latijn: fides) de mens kennis van God biedt. Reformatorische theologen als Maarten Luther en Johannes Calvijn beweerden ook nog dat het geloof niet door de mens op eigen kracht is op te wekken maar wordt ingegeven door goddelijke genade. Ook volgens fideïstische wijsgeren als Blaise Pascal en Søren Kierkegaard levert natuurlijke theologie niets op.
Dat natuurlijke theologie een ijdele aangelegenheid is, behoort tot het antimetafysische denken van filosofen als David Hume, Immanuel Kant, Friedrich Nietzsche, Karl Marx, Martin Heidegger en Richard Rorty.
In de renaissance en de Verlichting is er tevens sprake van een beweging die haaks staat op het fideïsme. Daarbij wordt gepoogd om joodse of christelijke geloofswaarheden op natuurlijk-theologische wijze te verklaren. Voorbeeld van een dergelijk denken is de Tractatus theologico-politicus (‘Theologisch-staatkundige verhandeling’).