Een triomfkruis (Latijn: crux triumphalis), is een groot kruisbeeld dat deel uitmaakt van de inrichting van sommige kerkgebouwen in voornamelijk Noord- en West-Europa. Het hangt vaak boven de grens tussen priesterkoor en de viering of het schip. Het heet ‘triomfkruis’ omdat Jezus Christus door zijn lijden, dood en verrijzenis het kwaad heeft overwonnen.
Een triomfkruis bevindt zich onder de zogenoemde triomfboog. In de kerkelijke bouwkunst is dat de boog die het kerkschip scheidt van het priesterkoor. Het triomfkruis hangt daar soms aan kettingen of staat op een balk die tussen de boog is aangebracht. In kerken die nog een doksaal hebben, vormt vaak een kruisbeeld in het midden daarop het hoogtepunt van deze constructie.
De oorsprong van het triomfkruis ligt in de oudchristelijke architectuur. In het mozaïek van de apsis van menig basilica stond een groot kruis (zonder corpus) afgebeeld; een nog steeds bestaand voorbeeld daarvan is de apsis van de beroemde basiliek Sant’Apollinare in Classe in Ravenna. Een dergelijk kruis kwam ook voor op triomfbogen en later ook op altaarciboria en pergulae. In Byzantijnse kerken verscheen een groot kruis bovenaan in het midden van de iconostase.
In de karolingische tijd ontstond het gebruik om een groot kruis in het midden van de kerk te plaatsen, mogelijk als liturgisch centrum omdat het kruis in de toenmalige beleving meer dan het altaar Christus’ glorievolle offer symboliseerde. Deze kruisbeelden waren vaak, naar Byzantijns voorbeeld, versierd met edelstenen (crux gemmata). Toen er in die tijd ook een corpus op het kruis werd aangebracht, was de Jezusfiguur nog niet de naakte man met een doornenkroon op zijn hoofd, maar een geklede en soms een diadeem dragende triomfator (Christus triumphans). Voorbeeld daarvan is het Heilig Gelaat van Lucca (Volto Santo di Lucca), een houten crucifix uit de achtste eeuw, te vinden in de Sint-Martinuskathedraal van Lucca, Toscane.
Uit de Ottoonse en romaanse periode zijn er veel kruisbeelden op bijna levensgroot formaat bewaard gebleven. Daarop heeft het corpus een realistischere gestalte. Bekend voorbeeld daarvan is het Kruis van Gero (Gero-Kreuz), uit de tweede helft van de tiende eeuw, te vinden in de kathedraal van Keulen.
Veel kerken in Noord- en West-Europa hebben de oorspronkelijke plaatsing van de kruisen volledig behouden en juist in deze gebieden worden ze ‘triomfkruisen’ genoemd. In Engeland daarentegen spreekt men van rood (van het Oudengelse rod = ‘kruis’). Vaak verschenen aan weerszijden van de triomfkruizen beelden van de Heilige Maagd Maria en de heilige apostel Johannes, en soms ook afbeeldingen van cherubijnen en andere figuren.
Vele neogotische kerken in Nederland beschikken over een triomfkruis. Soms hangen ze aan metalen koorden en rusten ze tegelijk op een balk tussen de vieringspijlers. Op die balk staan vaak de twaalf heilige apostelen afgebeeld.