Sint-Walburga was een benedictines uit de achtste eeuw. Volgens de overlevering was zij een Angelsaksische koningsdochter, die als missionaris naar Duitsland trok.
Walburga (ook Walburgis, Waltpurde, Walpurgis, Walpurga, Valborg, Vaubourg, Falbourg) werd geboren rond het jaar 710 als een van de vele kinderen van een rijke, adellijke familie in Devon, in het Angelsaksische koninkrijk Wessex. Volgens een legende was zij de dochter van koning Richard van Wessex en diens gemalin Wuna, maar dat is nooit door historici bevestigd kunnen worden.
Walburga verloor op jonge leeftijd haar ouders, waarna ze als oblaat zou zijn opgenomen in de abdij van Wimborne in Dorset (gelegen in het zuidwesten van het huidige Engeland). In die tijd stond het benedictinessenklooster van Wimborne bekend om zijn geleerdheid en uitstekende opleiding voor jonge vrouwen uit de hogere klassen van Wessex. Walburga bracht er ongeveer 26 jaar van haar leven door en werd door abdis Tetta zorgvuldig voorbereid op een missionaire rol op het Europese continent.
Walburga’s broers Wunibald en Willibald waren naar de Duitse landen getrokken om daar te missioneren onder de heidense bevolking. Zij stonden onder het gezag van Bonifatius, die Willibald tot eerste bisschop van Eichstätt benoemde en Wunibald aanstelde tot abt van het klooster Heidenheim.
Nadat Wunibald tijdens een bezoek aan Engeland zijn zus Walburga had overgehaald zich bij de missie aan te sluiten, stak ook zij het Kanaal over. Waarschijnlijk werd zij tijdens de overtocht vergezeld door haar nicht Lioba, de jonge zuster Hugeburc, die later een biografie over Walburga's broers zou schrijven, en andere benedictinessen. De reis naar het continent was stormachtig en het schip ondervond moeilijkheden. Volgens de legende bracht Walburga de hele tijd knielend op het dek biddend door, totdat het schip veilig de haven bereikte; mogelijk was dat in Antwerpen.
Haar eerste post was in de buurt van een nederzetting die later Tauberbischofsheim werd genoemd. Daar woonde ze in het klooster dat onder leiding van Lioba stond. Na de dood van Walburga's broer Wunibald in 761 nam Walburga het klooster van Heidenheim over, een belangrijke missionaire buitenpost die hij ongeveer tien jaar eerder had gesticht; kort daarna werd daar een vrouwenklooster aan toegevoegd.
Door haar leiderschap over het machtige dubbelklooster van Heidenheim werd Walburga een van de belangrijkste vrouwen in christelijk Europa. Zij werd gesteund door Sint-Bonifatius, die in 754 bij Dokkum door heidense Friezen was vermoord; hij wordt beschouwd als een van de eerste missiebisschoppen die bewust vrouwen inzette voor missionair werk.
Toen Walburga op sterven lag, diende haar broer Willibald, bisschop van Eichstätt, haar de laatste sacramenten toe. De annalen van het klooster van Heidenheim vermeldt als haar sterfdatum: 25 februari 779; historici beweren ook de jaartallen 777 en 780. Haar lichaam werd begraven in het klooster van Heidenheim. Paus Adrianus II verklaarde haar heilig op 1 mei 870. Dat zou ook de datum zijn van haar eerste translatie, die plaatsvond op last van bisschop Otkar van Eichstätt.
Op 1 mei 893 werden haar resten verplaatst naar de kerk van de abdij van Eichstät (Beieren), thans de Klosterkirche St. Walburg. Daar zou nog steeds een helder vocht uit haar graf sijpelen: de ‘Walburga-olie’ (Walburgisöl). Delen van haar schedel en kaak bevinden zich in Vlaanderen (Veurne en Antwerpen).
Walburga's hagiograaf, Wolfhard von Herrieden (gestorven omstreeks 902), beschreef twee wonderen die zij bij leven zou hebben verricht. Volgens hem redde ze ooit met behulp van drie graanaren een kind van de hongerdood en kalmeerde ze een andere keer met succes een hond met hondsdolheid. Er zijn ook verhalen over haar genezing van zieken en het redden van een vrouw die aan kraamkoorts leed.
Walburga is de patrones van zeelieden, jonge moeders, zieken en boeren. Ze wordt aangeroepen bij ziekten en epidemieën, hondsdolheid, hekserij, hongersnood en misoogsten. Haar iconografische attributen zijn een kromstaf, een olieflesje en soms ook een kroon.
In Nederland was de verering van Sint-Walburga vooral geconcentreerd in het oosten van het land. De bekendste aan haar gewijde kerken zijn: de Sint-Walburgiskerk in Arnhem (een aan de eredienst onttrokken basiliek) en de monumentale Walburgiskerk in Zutphen.
Haar kerkelijke feestdag is haar sterfdag (25 februari) maar in de middeleeuwen was dat de dag van haar translatie en canonisatie: 1 mei. De vooravond van dat feest staat bekend als de Walpurgisnacht. Met de verering van de heilige abdis van Heidenheim heeft het echter weinig te maken. De nacht van 30 april op 1 mei werd in heidense tijden in Noord- en Midden-Europa gevierd als een lentefeest, maar daarover bestaan weinig historische data. Aan het einde van de middeleeuwen werd de Walpurgisnacht in verband gebracht met een mythe over vrouwen die op bezemstelen vliegen om met de duivel te dansen. Johann Wolfgang von Goethes droeg met het eerste deel van zijn tragedie Faust (1808) bij aan de popularisering van de Walpurgisnacht als Hexenfeuer. De mogelijke associatie met Sint-Walburga is dat zij als christelijke missionaris de heidense afgoderij en de boze geesten succesvol had bestreden; vlak vóór haar jaarlijkse feest zouden die demonische machten zich nog één keer mogen manifesteren. De seculiere hedendaagse viering van Walpurgisnacht grijpt terug op een neopaganistische herinterpretatie van het pre-christelijke feest.