Een weduwe is een vrouw wier echtgenoot is overleden. In het christendom van de oudheid hadden weduwen een bijzondere status.
De voorschriften in het Oude Testament met betrekking tot weduwen hebben voornamelijk betrekking op de kwestie van het hertrouwen. Als een man zonder kinderen stierf, was zijn weduwe verplicht te trouwen met de broer van haar overleden echtgenoot, en als deze weigerde haar tot vrouw te nemen, werd hij voor het volk te schande gemaakt (Deuteronomium 25, 5-10). Het was de hogepriester verboden met een weduwe te trouwen (Leviticus 21, 14), maar andere leden van de priesterlijke klasse waren vrij om de weduwe van een andere priester tot vrouw te nemen, maar niet de weduwe van een leek (Ezechiël 44, 22). Afgezien van deze voorschriften is er in het Oude Testament geen wet die het hertrouwen van een weduwe beperkt. De ondersteuning van weduwen werd toevertrouwd aan de naastenliefde van de Israëlieten, en zij mochten de restanten van de korenvelden, olijfbomen en wijngaarden ophalen (Deuteronomium 24, 19-22). In het derde jaar van de tienden (of de grote tiende) moesten weduwen hun deel van de offergave krijgen (Deuteronomium 26, 12), en bij de drie belangrijkste feestdagen van het jaar moesten zij worden uitgenodigd door hun buren (Deuteronomium 16:11). In de tijd van de Makkabeeën werd er geld gestort en werden er voorraden bewaard in de Tempel in Jeruzalem voor het levensonderhoud van weduwen (2 Makkabeeën 3, 10), en ook de oorlogsbuit werd met hen gedeeld (2 Makkabeeën 8,28). Ter bescherming van hen gold er een verbod om hun kleding in pand te nemen (Deuteronomium 24:17). Naast wettelijke voorschriften voor de bescherming van weduwen bevat het Oude Testament vele algemene voorschriften die hen aanbevelen aan de eerbied en welwillendheid van het volk Israël en bittere veroordelingen van hun onderdrukkers en bedriegers.
Het lot van de weduwe in Bijbelse tijden was over het algemeen zwaar. Jezus Christus verwijst naar de penning van de weduwe als een offergave van de allerarmsten (Marcus 12,44). Hij hekelt ook krachtig de Farizeeën: “omdat jullie de huizen van weduwen verslinden” (Mattheüs 23,14). Onder het Oude Verbond wijdden sommige weduwen zich aan een leven van bijzondere religieuze toewijding, zoals vermeld wordt van de 84-jarige profetes Hanna, “die de tempel niet verliet, maar God dag en nacht diende met vasten en gebeden”(Lucas 2, 37).
In de vroegchristelijke tijd werd de ondersteuning van weduwen tot een bijzondere plicht gemaakt door de apostelen, die aalmoezen voor hen inzamelden en de zorg voor hen toevertrouwden aan de diakens (Handelingen 6,1). Deze ondersteuning van behoeftige weduwen is altijd beschouwd als een bijzondere taak van de dienaren van de christelijke kerk en vele decreten van pausen en concilies vermelden dit als een speciale plicht van bisschoppen, parochiepriesters en houders van beneficies. In de tijd van de apostelen werden weduwen in bepaalde functies binnen de kerkelijke bediening ingezet, waarbij werd bepaald dat degene die gekozen moest worden “niet jonger dan zestig jaar oud moest zijn, de vrouw van één man, en een getuigenis van haar goede werken moest hebben”. Kort daarna werd het ambt van diacones aangeduid als “weduwschap”(Sint-Ignatius van Antiochië, Brief aan de Christenen van Smyrna, 8.1). Wat betreft het hertrouwen van weduwen in de christelijke kerk: hoewel Sint-Paulus verklaart dat weduwschap de voorkeur verdient boven het huwelijk (1 Korintiërs 7,8), verbiedt hij hertrouwen niet (1 Korintiërs 7,39).
In de vroege Latijnse Kerk bestond er een zogeheten Ordo Viduarum (‘orde der weduwen’): weduwen die na het overlijden van hun echtgenoot een leven van gebed, kuisheid en dienstbaarheid aan de Kerk op zich namen. Deze orde raakte in de loop van de middeleeuwen grotendeels in onbruik. Tegenwoordig erkent de Katholieke Kerk nog steeds de roeping van godgewijde weduwen. De Catechismus noemt expliciet zowel maagden als weduwen die zich aan Christus wijden.
De situatie verschilt echter per bisdom. Er bestaat geen wereldwijd, uniforme instelling voor gewijde weduwen in de Latijnse Kerk. Wel zijn er de laatste jaren initiatieven om de oude Ordo Viduarum nieuw leven in te blazen. Zo vond er op 25 maart 2025 in de Dom van Trier een weduwenwijding plaats. Bisschop Stephan Ackermann van Trier nam daarbij de toen 58-jarige Christina Becker met een speciale zegening op in de orde der weduwen. Het door mgr. Ackermann gebruikte rituale, in 1984 door de pauselijke autoriteiten in Rome goedgekeurd, was ontleend uit de Ambrosiaanse ritus van de vierde eeuw en gebaseerd op de rite van de maagdenwijding. De gelofte van het ongehuwd blijven is daarbij elementair.