Gerardus Petrus Wilmer was rooms-katholiek bisschop van Haarlem van 1861 tot aan zijn dood in 1877.
Gerardus Petrus Wilmer werd op 22 november 1800 geboren in Boxtel, Noord-Brabant. In 1824 werd hij in Keulen tot priester gewijd voor het apostolisch vicariaat ‘s-Hertogenbosch. Hij werd aangesteld tot kapelaan, eerst in Heusden en vervolgens in Eindhoven. Van 1829 tot 1852 was hij hoogleraar aan het grootseminarie in Herlaar. Ook was hij secretaris van bisschop Henricus den Dubbelden, de apostolisch vicaris van ‘s-Hertogenbosch.
In 1852 werd Wilmer benoemd tot pastoor van de Sint-Petrusparochie in zijn geboortedorp Boxtel. Enkele jaren later werd hij overgeplaatst naar Oirschot, als pastoor van de Sint-Petrusparochie aldaar.
In 1856 werd Wilmer door aartsbisschop Joannes Zwijsen, die ook apostolisch administrator van het in 1853 heropgerichte bisdom ‘s-Hertogenbosch was, benoemd tot plebaan van de Sint-Janskathedraal en tot deken van het dekenast ‘s-Hertogenbosch.
Paus Pius IX benoemde Wilmer op 4 mei 1861 tot diocesaan bisschop van het in 1853 heropgerichte bisdom Haarlem, dat toen ook nog Zuid-Holland omvatte. Op 23 juni 1861 werd hij tot bisschop geconsacreerd door aartsbisschop Zwijsen en onder anderen de bisschoppen Johannes van Genk en Joannes Deppen. Zijn zetel stond in de Sint-Josephkerk aan de Jansstraat in Haarlem, de toenmalige kathedraal van het bisdom Haarlem.
Bisschop Wilmer was een leidende figuur in de eerste fase van de emancipatie van rooms-katholieken in Nederland.
Hij maakte zich sterk voor de heiligverklaring van de Martelaren van Gorcum en van Lidwina van Schiedam.