De Augustijner Koorheren van de Congregatie van Windesheim vormen al eeuwenlang een rooms-katholieke instituut van Godgewijd leven. Zij hadden een grote invloed op het christendom van Noordwest-Europa. Tegenwoordig is het nog maar een zeer kleine gemeenschap.

De officiële naam luidt: Reguliere Kanunniken van Sint-Augustinus van de Congregatie van Windesheim (Latijn: Canonici Regulares Sancti Augustini Congregatio Vindesemensis; afgekort: C.R.V.) De leden volgen de Regel van Augustinus.

De Windesheimer Congregatie vormt een autonome gemeenschap binnen de confederatie van de Reguliere Kanunniken van Sint-Augustinus (C.R.S.A.).

De C.R.V. gaat terug op een in de Noordelijke Nederlanden ontstane hervormingsbeweging die bekend staat onder de naam Moderne Devotie. Deze beweging werd gedragen door de Broeders des Gemenen Levens. Zij verlangden ernaar om Jezus Christus op zuiver evangelische wijze na te volgen, vrij van alle wereldse opsmuk en gevrijwaard van kerkelijke corruptie. Daartoe werd eind veertiende eeuw in het dorpje Windesheim bij Zwolle een klooster gesticht. De stichters kozen uitdrukkelijk niet voor een monastiek bestaan maar voor een gemeenschappelijk leven met een apostolische openheid naar de wereld toe. De kerkelijke autoriteiten stonden hun toe dit evangeliserende ideaal te verwezenlijken als zij daarbij de Regel van Augustinus zouden volgen.

Andere kloosters (canonieën) van reguliere kanunniken in de Noordelijke Nederlanden sloten zich bij Windesheim aan en vormden zo het Kapittel van Windesheim, dat op den duur de Congregatie van Windesheim ging heten. De eerste canonieën die zich bij Windesheim aansloten waren Mariënbron bij Arnhem, Eemsteyn bij Dordrecht en Nieuwlicht bij Hoorn.

Tegen het einde van de vijftiende eeuwe beleefde de Congregatie van Windesheim haar grootste bloei: zij telde toen 86 koorherenkloosters en zestien kanunnikessenkloosters, die zich voornamelijk in de Noordelijke Nederlanden en in de kerkprovincie Keulen bevonden.

Het belangrijkste historische belang van de kanunniken van Windesheim ligt in hun hervormingswerk. Dit bleef niet beperkt tot de hervorming van kloosters, maar strekte zich uit tot de seculiere geestelijkheid en de leken, die zij in het bijzonder trachtten aan te zetten tot een grotere devotie voor het Allerheiligste Sacrament en een frequentere communie.

De Reformatie maakte een einde aan haar bloei. De verwoesting van het moederklooster (proosdij) in Windesheim begon in 1572, toen de altaren in de kerk door de inwoners van Zwolle werden vernield; haar opheffing vond plaats in 1581. De kloosters die het protestantse geweld overleefden (in 1728 waren dat er nog 32) werden uiteindelijk toch nog opgeheven. De laatste overgebleven canonie, Stift Frenswegen, werd in 1809 onder Napoleon opgeheven.

In 1961 werd de congregatie op initiatief van de wereldwijde confederatie van augustijner kanunniken door paus Johannes XXIII bij decreet nieuw leven ingeblazen. Tegenwoordig bevindt de zetel van de proost-generaal zich in de abdij Maria Regina in Tor Lupara (tegenwoordig een deel van de gemeente Fonte Nuova) bij Rome.

De congregatie heeft sinds 1974 weer een Duits huis, de proosdij Sint-Michaël in Paring, gelegen in het bisdom Regensburg.

De geestelijken en lekenbroeders van de Congregatie van Windesheim willen zoals Augustinus van Hippo in zijn Regel heeft voorgeschreven, “in eendracht samenleven en één van hart en ziel zijn gericht op God”, om bovenal God en de naaste lief te hebben en te dienen. Zij streven naar de dagelijkse navolging van Christus door zich volledig op God te richten. Daartoe willen zij hun persoonlijke relatie met Jezus Christus verdiepen door een rijk innerlijk leven, God steeds beter leren kennen en hun eigen innerlijk naar zijn wil hervormen. Wezenlijk daarbij zijn het plechtige koorgebed van de getijden en de viering van de eucharistie. Vanuit die spiritualiteit willen zij Gods liefde doorgeven aan de gelovigen die hun in de zielzorg zijn toevertrouwd. Daarom nemen zij verscheidene pastorale taken op zich, bijvoorbeeld als voorgangers in parochies en als geestelijk verzorgers in diverse instellingen.