De Missionarissen van Afrika vormen een zogeheten sociëteit van apostolisch leven. Deze in 1868 gestichte gemeenschap bestaat uit mannen die vanwege hun religieuze dracht ook bekend staan als ‘Witte Paters’ (Pères Blancs).

De stichting van de Witte Paters dateert van 1868, een jaar na de grote hongersnood in Algerije. De toenmalige aartsbisschop van Algiers, mgr. Charles-Martial-Allemand Lavigerie, probeerde de nood te lenigen van de vele kinderen die ten gevolge van die hongersnood wees geworden waren. Hij vond een aantal mannen bereid zich over hen te ontfermen, vooral op het gebied van opvoeding en onderwijs. Lavigerie had bij de stichting ook de verspreiding van het christelijk geloof in Noord- en Centraal-Afrika op het oog. 

Missieposten werden gevestigd in Kabylië (regio in Noord-Algerije) en in de Sahara. In 1876 en 1881 werden twee karavanen uit Zuid-Algerije en Ramíma, die missies in Soedan wilden stichten, door hun gidsen afgeslacht. In 1878 vertrokken tien missionarissen uit Algiers om posten te vestigen aan de meren Victoria, Nyanza en Tanganyika. In 1894 werd de missie van Frans-Soedan opgericht. De missies in de Sahara werden gegroepeerd in een apostolische prefectuur. In 1880 stichtten de Witte Paters, op verzoek van de Heilige Stoel, in Jeruzalem een ​​seminarie voor de opleiding van geestelijken van de Grieks-Melkitische ritus. Stichter en algemeen-overste Lavigerie werd in 1882 door paus Leo XIII tot kardinaal verheven. 

De sociëteit bestaat uit priesters en lekenbroeders. De leden zijn gebonden door een eed waarin zij zich ertoe verbinden te werken aan de bekering van Afrika volgens de statuten van hun orde. De missionarissen vormen strikt genomen geen religieuze orde en mogen hun eigen bezittingen behouden; zij mogen deze echter alleen in de orde besteden op aanwijzing van de oversten. Een van de belangrijkste punten in hun statuten betreft het gemeenschapsleven in de missies: elk huis moet ten minste drie leden tellen. Aan het hoofd staat een algemeen-overste, die elke zes jaar door het kapittel wordt gekozen. 

De kleding van de missionarissen lijkt op de witte gewaden van Berbers en bestaat uit een gandoera (een witte toog) en een boernoes (mantel); een rozenkrans en kruis worden om de nek gedragen.

In 2024 telde de sociëteit wereldwijd 2.347 leden (1.004 priesters en 1.343 broeders), verspreid over 197 huizen.

Naast de traditionele taken als opvoeding, onderwijs en opvang van verschoppelingen houden de Witte Paters zich thans bezig met de bestrijding van slavernij en mensenhandel.