In het Mattheüsevangelie zegt Jezus dat alle zonden worden vergeven behalve de lastering van de Heilige Geest. Over de betekenis daarvan lopen de meningen uiteen. De uitleg van de Katholieke Kerk gaat het om het hardnekkig weigeren van Gods vergeving en barmhartigheid.
In Mt. 12,30-32 staat: ‘Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, drijft uiteen. Daarom zeg Ik u: Iedere zonde en godslastering zal de mensen vergeven worden, maar lastering van de Geest zal niet vergeven worden. Als iemand zich kant tegen de Mensenzoon, zal het hem vergeven worden, maar wie zich kant tegen de heilige Geest, zal geen vergiffenis verkrijgen, noch in deze, noch in de komende wereld.’
Jezus kan niet bedoeld hebben dat elke zonde behalve de godslastering wordt vergeven. Dat blijkt immers duidelijk uit het Marcusevangelie 3,28-30, het equivalent van Mt. 12,30-32:
‘Voorwaar, Ik zeg u: alle zonden zullen aan de mensen vergeven worden, ook alle godslasteringen die zij uitgesproken hebben, maar als iemand lastert tegen de heilige Geest, krijgt hij in eeuwigheid geen vergiffenis; hij is bezwaard met een eeuwig blijvende zonde.’ Dit omdat zij [de schriftgeleerden] gezegd hadden: ‘er huist een onreine geest in Hem.’
Kennelijk gaat het hierbij niet om de tegenstelling tussen zonde en (gods)lastering, maar om het onderscheid tussen de Mensenzoon en de Heilige Geest. In Jezus was weliswaar het volle heil gekomen, maar nog niet ten volle geopenbaard. Die volle openbaring zou pas komen na zijn dood en verrijzenis door de uitstorting van de Heilige Geest. ‘Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen’, zegt Jezus in het Johannesevangelie (Joh. 16,12-14).
Wie zondigt en lastert doet dat uit zwakte. Berouw leidt tot vergeving daarvan. Maar wie zondigt tegen de waarheid, weet wat waar is maar verloochent die waarheid toch. Zo iemand is te vergelijken met iemand die met volharding wit zwart noemt en goed slecht. Deze hoogmoed is geen zwakte van het vlees, maar een bewuste verdraaiing van de waarheid. Wie de Geest der waarheid heeft ontvangen en toch willens en wetens de waarheid geweld aandoet, wil daarvoor ook geen vergeving.
Paulus waarschuwt tegen deze intellectuele hovaardigheid in zijn brief aan de christenen van Efeze en in zijn eerste brief aan de christenen van Thessalonica: Wilt Gods heilige Geest niet bedroeven: gij zijt met zijn zegel gewaarmerkt voor de dag der verlossing (Ef. 4,30). En: Blust de Geest niet uit (1 Thess. 5,19).
Sommigen menen dat christenen die afvallig zijn, door hun verloochening van het geloof verdoemd zijn. Mensen die dus eerst dankzij Gods genade geloofden in Jezus en na verloop van tijd deze overtuiging verloren en er zich tegen afzetten, zouden tegen de Geest der waarheid zondigen.
Volgens de Catechismus van de Katholieke Kerk betreft de ‘zonde tegen de Heilige Geest’ niet een specifieke uitspraak of een enkel verkeerd woord. In paragraaf 1864 wordt deze zonde uitgelegd als het bewust en volhardend afwijzen van Gods barmhartigheid en de bekering die de Heilige Geest aanbiedt: “Er zijn geen grenzen aan Gods barmhartigheid, maar wie weloverwogen weigert om door het berouw de barmhartigheid van God te ontvangen, verwerpt de vergeving van zijn zonden en het heil dat aangeboden wordt door de Heilige Geest. Zo’n verharding van het hart kan leiden tot definitieve onboetvaardigheid en eeuwig verlies.”
De katholieke uitleg is daarom dat deze zonde “onvergeeflijk” wordt genoemd, niet omdat God niet zou willen vergeven, maar omdat de mens zelf de vergeving blijft weigeren. Wie zich niet wil bekeren en Gods genade afwijst, sluit zich af voor de vergeving die God aanbiedt.
Sint-Thomas van Aquino hebben zes ondeugden genoemd die als zondige houdingen tegen de Heilige Geest kunnen worden aangemerkt: wanhoop aan Gods barmhartigheid, vermetel vertrouwen zonder bekering, hardnekkige onboetvaardigheid, verstoktheid in zonde, verzet tegen erkende waarheid en afgunst op de genade die anderen ontvangen (Summa Theologiae, II-II, questio XIV, art. 2).