Münster, 22 maart 2026 – Het bisdom Münster in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen herdenkt vandaag dat een van zijn bisschoppen, de zalige kardinaal Clemens August von Galen, precies 80 jaar geleden overleed. Deze kerkleider, bijgenaamd ‘Leeuw van Münster’, gold als een boegbeeld van verzet tegen het nationaalsocialisme.
Op 18 februari 1946 had paus Pius XII de bisschop van Münster vanwege zijn heldhaftige houding tot kardinaal verheven. Na het opzetten van de rode hoed applaudisseerden de gelovigen in de Sint-Pietersbasiliek minutenlang voor Von Galen, die als een morele autoriteit werd beschouwd. Tijdens zijn verblijf in Rome vond een drukke uitwisseling plaats tussen de 32 nieuwe ‘Prinsen der Kerk’. Onderwerp van gesprek: de wederopbouw van Europa en de rol die de Kerk daarbij moest spelen. Verder bezocht Von Galen in Italië ook krijgsgevangenenkampen, waar hij de Duitse soldaten toezegde zich in te zetten voor hun vrijlating.
Op 16 maart keerde Galen terug uit Rome. 50.000 mensen verwelkomden hem in zijn bisschopsstad, die lag in de Britse bezettingszone. Voor de kapotgebombardeerde kathedraal citeerde de kersverse kardinaal de woorden van Christus: “… en de poorten van de hel zullen hen niet overweldigen” (Mattheüs 16,18).
Zes dagen later bezweek de 68-jarige kerkprins aan een verwaarloosde blindedarmontsteking. “Een strijder voor het recht, een ridder tussen dood en duivel, is gestorven”, schreef de kort daarvoor opgerichte krant Die Zeit.
Het Latijnse motto onder zijn bisschopswapen luidde Nec laudibus nec timore (‘Noch door lofprijzingen, noch door vrees’). Hoewel zijn onbevreesdheid tegenover de nazi’s onbetwist is, hebben historici ook gewezen op een keerzijde: zijn soms autoritaire, democratie-afwijzende houding en zijn antibolsjewisme, waardoor hij in 1941 de Duitse veldtocht tegen Rusland toejuichte. Ook is hem verweten dat hij in de eerste plaats voor de rechten van de Katholieke Kerk had gestreden en niets had gedaan tegen de Jodenvervolging. Echter, de bisschop had van protesten daartegen afgezien op verzoek van een groep Joden, die vreesden dat de vervolging daarmee alleen maar erger zou worden, zoals in Nederland was gebeurd na het protest van het episcopaat aldaar.
Clemens Augustinus Joseph Emmanuel Pius Antonius Hubertus Marie graaf von Galen werd op 16 maart 1878 geboren op kasteel Dinklage in het Oldenburger Münsterland. Hij was de zoon van edelman en Rijksdaglid Ferdinand Heribert graaf von Galen, en diens echtgenote Elisabeth gravin von Spee. IJver, traditiebewustzijn, gezagsgetrouwheid en een conservatief-katholieke wereldbeschouwing – dat waren de waarden die de elfde van de dertien kinderen van het gezin kreeg overgedragen.
In 1904 werd Clemens August tot priester gewijd voor het bisdom Münster, waarvan zijn oom Maximilian Gereon von Galen sinds 1895 wijbisschop was. Na twee jaar begon de 28-jarige wereldgeestelijke in Berlijn als kapelaan te werken. In 1919 werd hij pastoor van de Sint-Matthiasparochie in de turbulente hoofdstad. Daar leerde hij aartsbisschop Eugenio Pacelli kennen, die sinds 1920 apostolisch nuntius bij de Weimarrepubliek was. Deze kerkdiplomaat zou hem na de oorlog als Pius XII kardinaal creëren.
In 1929 werd Von Galen door de toenmalige bisschop van Münster teruggehaald naar Westfalen. In zijn thuisdiocees moest hij als pastoor van de stadskerk Sankt Lamberti de Westfaalse adel, die deels naar de rechts-conservatieve DNVP of zelfs naar de NSDAP aan het afdrijven was, terugwinnen.
Op 23 oktober 1933 werd de 55-jarige priester tot bisschop geconsacreerd en geïnstalleerd tot diocesaan bisschop van Münster. Von Galens episcopale ambtstermijn viel dus bijna samen met de duur van het Derde Rijk.
Aanvankelijk was Von Galen, die nationaal-conservatief was en kritisch stond tegenover de democratische partijen, als bisschop niet bepaald onwelkom bij de nazi’s. Bij zijn bisschopswijding in de Dom van Münster hadden zelfs SA-formaties met hakenkruisvlaggen deelgenomen. Voor Von Galen zelf stond de rechtmatigheid van de naziregering toen nog buiten kijf. Maar al in 1934 keerde de bisschop zich tegen een nationalistische herinterpretatie van het christelijk geloof en veroordeelde hij de racistische ideologie van de nazi-hoofdideoloog Alfred Rosenberg, die aansloot bij pseudo-Germaanse religieuze opvattingen.
In zomer van 1941 werd de bisschop in de ogen van Hitler en zijn propagandaminister Joseph Goebbels een “staatsvijand” en “landverrader”genoemd. De aanleiding daartoe waren drie preken waarin Von Galen zich uitsprak tegen euthanasie, naziterreur, staatswillekeur en de wetteloosheid van de Gestapo. Als een van de weinige bisschoppen bracht hij het op om publiekelijk te protesteren; afschriften van zijn preken werden buiten Duitsland en aan alle fronten verspreid.
Op 3 augustus 1941 hekelde Von Galen het sociaal-darwinisme van de nazi’s en de daaruit voortkomende georganiseerde moord op mensen met lichamelijke, verstandelijke en mentale beperkingen. “Als men het principe vaststelt en toepast dat men ‘onproductieve’ mensen mag doden, dan wee ons allen wanneer we oud en seniel worden”, zei hij.
Hitler schuimde van woede en was vastberaden om Von Galen te laten oppakken. De Führer stelde de afrekening echter uit tot na de Endsieg, omdat hij met de marteldood van de populaire Von Galen hoogstwaarschijnlijk de steun van het katholieke Rijnland en Westfalen voor de oorlog zou verliezen. Wel liet hij de bisschop onder huisarrest plaatsen.
Kardinaal Von Galen werd op 19 maart 1946 met hevige buikpijn opgenomen in het Sint-Franciscusziekenhuis in Münster en stierf daar op 22 maart 1946. Zijn laatste verstaanbare woorden sprak hij ongeveer een uur en twintig minuten voor zijn dood: “Ja, ja, zoals God het wil. God lone u. God bescherme het geliefde vaderland. Voor Hem verder werken … o Gij, lieve Verlosser!”
Omdat de kathedraal van Münster in puin lag, vond de uitvaart plaats in de Heilig-Kruiskerk, waar Von Galen slechts vijf dagen eerder de eerste pontificale mis had opgedragen na zijn triomfantelijke terugkeer als nieuwe kardinaal. Hij werd op 28 maart 1946 bijgezet in de Ludgeruskapel van de Dom.
In 1956 werd in Münster het zaligverklaringsproces geopend. Na de erkenning van een wonder op zijn voorspraak – de genezing van een Indonesische jongen die vanwege een blindedarmontsteking op sterven lag – stond niets meer zijn zaligverklaring in de weg. Paus Benedictus XVI verhief de Leeuw van Münster op 9 oktober 2005 tot de eer der altaren. Zijn liturgische gedachtenis werd zijn sterfdag: 22 maart.