We raken die ooit gedroomde ideologische plek van vrije informatie en democratisering kwijt aan de commercie en de rijken der aarde. Techniekfilosoof Martijntje Smits reikt ons handvaten aan: zo krijgen we het internet terug.

Door Silvester Klaasman

Dat het online goed zaken doen is – of toch voor sommigen –
laat de miljardairslijst van Forbes zien. Daarop
zijn internetmiljardairs goed vertegenwoordigd: zowel de topmannen van Google
als van Facebook, Microsoft en Amazon staan in de top tien, met vermogens die
variëren van 65 tot 130 miljard dollar.

Tegelijkertijd wordt het internet steeds minder een plek
waar mensen vrij informatie kunnen uitwisselen. Zo is Facebook meerdere keren
beticht van het plegen van censuur.
Recentelijk nog zei het bedrijf Instagramposts te verwijderen
die de door de VS vermoorde generaal Iraanse Generaal Qassem Soleimani
steunden. Anderzijds weigert de techgigant uitspraken van politici te staven
aan feitelijkheid – een reden voor NU.nl om te stoppen als factchecker voor het
Amerikaanse bedrijf.

Hoe heeft het zover heeft kunnen komen en (hoe) kunnen we deze problemen oplossen? Daarover gaan we in gesprek met techniekfilosoof Martijntje Smits. Zij schreef uitgebreid over de impact van techniek op mens en maatschappij, werkte mee aan de expo Robot Love over de liefde tussen mens en robot, en sprak verschillende malen over dit thema op onder andere Radio 1.

Martijntje, je bent het met me eens dat het internet haast volledig
gedomineerd wordt door een handjevol grote bedrijven. Hoe heeft het zover
kunnen komen?

“Het internet begon eind jaren tachtig op te komen en werd in eerste instantie
gebruikt door wetenschappers, activisten en kunstenaars om vrij informatie uit
te wisselen. Vanaf dat moment duurt het eigenlijk zo’n tien jaar voordat het
doordringt tot het grote publiek. Google komt pas eind jaren negentig online,
maar is dan eigenlijk nog een ideologisch project. In het begin wilden de
oprichters geen geld verdienen aan advertenties bijvoorbeeld.”


“Maar tussen 2005 en 2010 ontstonden allerlei commerciële
platforms waarop aanbieders van diensten en consumenten bij elkaar worden
gebracht. Facebook en eBay zijn daar voorbeelden van. Alleen: op dat moment was
het mededingingsrecht – de wetgeving die moet zorgen voor eerlijke concurrentie
– totaal niet ontworpen voor het internet. Wat het moeilijk maakt is dat een
platform als Facebook een soort natuurlijk monopolie heeft gekregen. Mensen
melden zich erop aan juist omdat er veel andere mensen op zitten. Er zijn
genoeg voorbeelden uit de geschiedenis waaruit blijkt dat je bij zo’n monopolie
een dergelijk bedrijf moet opdelen of onder de invloed van de staat moet
brengen, zodat er een vorm van democratische controle is. Maar dat is met internetbedrijven
nooit gebeurd.”

Waarom is met het
internet die stap niet gezet?

“Dat heeft te maken met het neoliberale gedachtengoed dat gedurende de
opkomst van het internet het politiek denken beheerste: in plaats van een
gemeenschappelijk goed werd het internet een marktplaats. Het werd de trend om
nutsbedrijven, voorzieningen die een publiek goed dienen, te privatiseren. Niet
langer de overheid maar de markt moest voorzien in de basisbehoeften van het
publiek. Waar de staat in het verleden bij media als radio en televisie een
stevige vinger in de pap hield, werd het internet eigenlijk vanaf het begin
losgelaten.”

“De gevolgen worden nu in volle hevigheid zichtbaar. Ook
omdat ondertussen de smartphone zijn intrede heeft gemaakt, een apparaat dat we
altijd bij ons dragen waardoor het internet voortdurend voorhanden is. De
smartphone heeft een fundamentele verandering gebracht in de manier waarop we
informatie consumeren, ontvangen en zenden. 
Er is een ‘platformeconomie’ ontstaan waarin ook bedrijven als Uber,
Deliveroo en Airbnb opereren.  Het
probleem van deze diensten is dat ze parasiteren op goedkope arbeid en publieke
ruimte – neem bijvoorbeeld de overlast die bewoners ervaren door de drukte van
toeristen of van taxi’s. Met weinig inspanning toucheren die platforms hoge
winsten terwijl gebruikers de waarde creëren.”


Ondertussen groeit de invloed van techbedrijven op hoe en
welke informatie we tot ons krijgen.

“Internet democratiseerde de toegang tot de media: iedereen zijn eigen
radiostation! Veel mensen hebben in de begindagen op sociale media een podium
gepakt en daar puur op hoe of wat ze zeiden een groot volgersbereik opgebouwd.
Nu zie je dat de regels steeds verder worden aangescherpt door al die media. Je
moet aan steeds meer voorwaarden voldoen om bijvoorbeeld hoog te eindigen in de
zoekresultaten van Google: je site regelmatig updaten met nieuwe blogs,
bepaalde woorden in je websitetekst verwerken en andere sites die naar jouw
site linken. Het gaat zelfs zover dat er een hele discipline (‘search engine optimalization’
of SEO) op is ingericht. Daarbij gaat het er niet om hoe nuttig of informatief
het is wat iemand zegt, maar om het zo vaak en lang mogelijk binden van
gebruikers aan een medium.”


Dat heeft invloed op hoe het internet ons leven
domineert: de regelmaat waarmee we onze telefoon pakken om op Instagram te
kijken, ook al weten we dat het ons niets oplevert. 

“Juist. Het heeft invloed op ons zelfbeeld, op hoe we functioneren. Maar
even zorgelijk, of misschien zorgelijker is de ondermijnende werking die deze
internetbedrijven hebben op de democratie. Er is natuurlijk het probleem van
nepnieuws dat zich via social media verspreidt, maar hun dynamiek heeft ook het
publieke debat op zijn kop gezet.”

“Vroeger werd het debat gevoerd in kranten en op televisie.
Misschien las niet iedereen dezelfde krant, maar het was zichtbaar waar het
debat werd gevoerd en de argumenten waren voorhanden. Met de opkomst van
sociale media en de filterbubbels die erbij horen is het debat versplinterd,
waardoor het steeds moeilijker wordt met elkaar te discussiëren, simpelweg
omdat er een gemeenschappelijke taal ontbreekt. Daarbij komt nog dat hoe
polariserender een tekst is, hoe meer clicks hij oplevert. Polarisatie levert
dus een winstmodel. Dat versnelt het proces van de ondermijning van de
democratie nog meer.”


Hoe kunnen we deze problemen oplossen, kunnen we het
internet nog redden?

“Dat denk ik wel, maar dan moeten we wel een taaie strijd willen aangaan.
Neem bijvoorbeeld dataplatformen als Airbnb en Uber. Het is een les uit het
verleden dat de monopolies die zulke bedrijven hebben, leiden tot onevenredige
macht, als je ze aan de markt overlaat. Het zouden daarom vanuit steden of overheden georganiseerde dan wel
gefaciliteerde platformen moeten zijn, in elk geval onder democratisch beheer.”

“Op ons
drinkwater hebben we bijvoorbeeld door de Waterschappen heel direct
democratische controle. Ook onze sociale media zou door zo’n instantie
beheerst kunnen worden. Lokale overheden zoals provincies en gemeenten zouden
goed in staat zijn om zulke functies te beoefenen. Dan kunnen we door te
stemmen laten blijken hoe we ons internet willen inrichten; dat wordt dan niet
meer eenzijdig besloten door één bedrijf. Dan kunnen we er bijvoorbeeld voor
kiezen om Instagram minder verslavend te maken of Airbnb minder overlast te
laten bezorgen.”

“Ook zijn er platformcoöperaties in opkomst om bijvoorbeeld
auto’s te delen. Coper Deelt in Den Haag
is daar een sprekend voorbeeld van. Via die app kunnen buurtbewoners onderling een
leaseauto reserveren en delen zonder dat daar een techgigant tussen zit. Zo
behouden burgers eigenaarschap over hun data. Overheden zouden burgers moeten
ondersteunen om zulke coöperatieve platforms op te richten.”

“Als je de huidige situatie even achterwege laat en denkt:
hoe zou het internet er idealiter uit moeten zien en hoe zouden zeggenschap en
eigendom geregeld moeten zijn? Dan zou je het internet en de functies die het
ondersteunt moeten zien als ‘nutsfuncties’: ze leveren diensten die in het algemeen belang zijn. Het zou een
fundamentele verschuiving veroorzaken op het moment dat een stad of overheid
durft te zeggen: we gaan het zelf regelen. Want op die manier kunnen we
limieten stellen aan het commerciële gebruik van deze technologie. Dan bestaan
die platformen niet meer om databundels te verzamelen en te verkopen maar voor
het aanbieden van een publieke dienst. Daarvoor worden ze dan ook betaald,
waardoor ze er geen belang meer bij hebben om gebruikers oeverloos door een
feed te laten scrollen.


Tot slot, hoe kunnen we die verandering tot stand gaan
brengen?

“De praktische gevolgen van hoe dat geïmplementeerd moet worden zijn moeilijk
te overzien. Het belangrijkste is dat je een netwerk als dat wat bijvoorbeeld Uber
heeft opgebouwd kan overnemen of zelf kan opbouwen. Dus misschien is het goed
om een dienst als Facebook op Europees niveau over te nemen. Nu is het een
Amerikaans bedrijf dat de klok slaat, terwijl de vraag is of dat wenselijk is, wanneer
je kijkt naar hoe het functioneert. Een Europees sociaal netwerk zou
makkelijker te beheren zijn. Hoe dat in zijn werk gezet moet worden is een
lastige vraag.”

“Het belangrijkste is dat die vraag gesteld wordt vanuit de
kennis dat het feitelijk om een functie van algemeen belang gaat die nu door
een handvol private bedrijven wordt ingevuld. Het doel moet zijn om die
functies door democratisch gecontroleerde instanties te laten invullen; het
moeten weer publieke functies onder democratische controle worden. En dat is
een strijd die zowel vanuit de maatschappij als de politiek gestreden moet
worden.”