Verkondiging op 18 januari 2026
pastoor Eric Fennis
Co-kathedrale basiliek St. Nicolaas te Amsterdam
Lezingen:
Jesaja 49, 3.5-6
Korintiërs 1, 1-3
Johannes 1, 29-34
'Opkomen voor jezelf’ mag je een wapenspreuk van deze tijd noemen.
En daar hoeft niets mis mee te zijn. Maar waar ligt de grens? Wat is het uitgangspunt en criterium, wanneer ik voor mijzelf probeer op te komen?
Christen zijn betekent allereerst aandacht hebben voor de ander om op die manier mijzelf te profileren. Het Doopsel roept ons immers op om op God zelf te lijken. ‘Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook’, zegt de apostel Paulus ons al. God zelf dus zien als uitgangspunt en criterium wanneer wij gezond voor onszelf willen opkomen.
Jesaja toont ons vandaag waarin God zichzelf vindt. Waarin God zijn glorie vindt. En Hij zegt: ’Vanaf de moederschoot af had God mij tot zijn dienaar gevormd om Jacob terug te brengen naar Hem en Israël van de ondergang te redden.’
God vindt zijn glorie dus in het geluk van de ander, concreet in het geluk van zijn volk.
Vandaag, op de tweede zondag door het jaar, wordt ons opnieuw Johannes de Doper voor ogen gehouden. Hij kon goed voor zichzelf opkomen. Met andere woorden: Johannes wist waar hij voor stond.
Heel zijn leven was erop gericht om de mensen de ogen te openen voor Jezus. Voor jezelf opkomen betekende voor Johannes alle aandacht richten op Jezus. En waarom? In deze Jezus had hij namelijk de vervulling van zijn leven gevonden.
Zijn wij soms niet te veel geneigd met onszelf bezig te zijn, zodat we een ander niet meer zien staan?
En als we al gericht naar een ander kijken, is het ons dan oprecht om die ander te doen, of meer voor ons eigen voordeel?
Johannes roept Jezus uit, niet tot de man van de eeuw maar tot de man van alle tijden: ‘Ik heb het gezien en ik heb getuigd: deze is de Zoon van God.’ En om die reden maakt hij deze Jezus tot norm voor zijn leven.
Wanneer het kind van de kribbe, de Man die Johannes hier bedoelt, werkelijk de Zoon van God is, dan is Hij onze aandacht meer dan waard.
Maar wat houdt dat in: Zoon van God? Dat houdt in ieder geval in dat alle heiligen van de Kerk in navolging van Johannes deze Jezus hebben uitgekozen tot de bron van inspiratie in hun leven. Zij hebben heel hun doen en laten aan Hem opgehangen.
Maar wat moet ik met Hem als ik bijvoorbeeld geen heilige ben en de term Zoon van God meer iets voor theologen vindt? Johannes zelf geeft ons eigenlijk al het antwoord: ‘Zie hem, Lam van God dat wegneemt de zonden van de wereld.’ Blijkbaar staat de Zoon van God niet ver van ons vandaan. Hij staat zelfs heel dicht bij ons. Misschien wel dichter dan wij onszelf nabij zijn. En dat hebben al die heiligen die ons zijn voorgegaan en zeker niet allemaal heilig geboren zijn, voor hun eigen leven ontdekt.
Wat is ons immers meer eigen dan onze tekortkomingen, al worden we er niet graag mee geconfronteerd. Hoewel: is ons kijken naar mensen die het in onze ogen ‘gemaakt hebben’ vaak niet een compensatie van onze eigen grenzen en tekorten; zo zou ik eigenlijk ook wel willen zijn?
Toch is de Zoon van God niet zozeer een compensatie. Nee, Hij wil ons werkelijk geven wat ons vaak ontbreekt. Menselijke heelheid in de diepste zin van het woord: ‘Zie het Lam Gods’. En met Johannes zijn we dus in goed gezelschap. Hij zegt zelf: ‘Ook ik kende Hem niet, maar die mij gezonden had om met water te dopen, hij had tot mij gesproken; op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten. Hij is het die doopt met de Heilige Geest.
En die Geest hebben wij allemaal ontvangen bij ons doopsel. En dat betekent dat Jezus ook leeft in ons. Zoeken naar Hem zoals eens de herders en wijzen deden, Hem achterna gaan zoals de leerlingen van Jezus vanaf zijn doop zouden doen, betekent dus als vanzelf opkomen voor mij, bij mijzelf uitkomen. Want Hij wil in mij volbrengen waartoe ik zonder Hem niet in staat ben: een echt volwassen mens zijn, beeld van God, geschapen naar zijn liefdevolle bedoelingen.