Vaticaanstad, 6 april 2022 – Paus Franciscus heeft vanochtend tijdens zijn algemene audiëntie een Oekraïense vlag getoond die afkomstig is uit Boetsja, een voorstad van Kiev waar tijdens de Russische bezetting een bloedbad werd aangericht. De pontifex zei dat hij die vlag gisteren had ontvangen.
Na afloop van de gebruikelijke catechese en de begroetingen van de diverse pelgrimsgroepen deed de paus opnieuw een dringende oproep om de oorlog in Oekraïne te staken.
Na een stil gebed voor alle oorlogsslachtoffers toonde Franciscus de vlag aan de aanwezige gelovigen. Vervolgens nodigde hij een groep uit Oekraïne gevluchte kinderen uit zich bij hem te vervoegen om zijn oproep tot gebed voor vrede kracht bij te zetten.
“Het recente nieuws over de oorlog in Oekraïne brengt geen opluchting en hoop, maar getuigt veeleer van nieuwe gruweldaden, zoals het bloedbad van Boetsja: steeds gruwelijkere wreedheden, die zelfs worden begaan tegen weerloze burgers, vrouwen en kinderen. Dit zijn slachtoffers wier onschuldig bloed tot de hemel roept en smeekt: laat deze oorlog ophouden! Leg de wapens het zwijgen op! Stop met het zaaien van dood en verderf!”, zei de Heilige Vader. “En gisteren, net uit Boetsja, brachten ze me deze vlag. Deze vlag komt uit de oorlog, uit die gefolterde stad, Boetsja.”
De gruwelen van Boetsja hebben de wereld geschokt. Foto- en videomateriaal van het bloedbad doken op 1 april 2022 op, nadat de Russische strijdkrachten zich uit de stad hadden teruggetrokken.
Volgens de burgemeester werden meer dan 300 inwoners van de stad dood aangetroffen in de nasleep. Oekraïne heeft het Internationaal Strafhof (ICC) gevraagd te onderzoeken wat er in Boetsja is gebeurd, als onderdeel van zijn lopende onderzoek naar de invasie.
De Russische autoriteiten ontkenden elk vergrijp en omschreven beelden en foto's van dode lichamen als een provocatie of een in scène gezette voorstelling van de Oekraïense autoriteiten. Deze ontkenningen zijn weerlegd door journalistieke organisaties zoals Bellingcat, The New York Times, Deutsche Welle en The Economist.