Een aflaat is in de Katholieke Kerk een kwijtschelding van straffen die de gelovige in het hiernamaals nog moet uitboeten.

Het woord aflaat is afgeleid van het Oudnederlandse en Gotische woord voor ‘kwijtschelding’. Het verwijst naar een praktijk in de Katholieke Kerk waarin de straffen in het hiernamaals voor begane en reeds vergeven zonden door het kerkelijk gezag worden kwijtgescholden. In het Latijn heet zo’n kwijtschelding indulgentia.

Geen vergiffenis

Vaak wordt gedacht dat het verlenen van een aflaat hetzelfde is als vergiffenis. Dat berust op een wijdverspreid misverstand, wellicht gegroeid uit het schandaal van de aflatenhandel in de Middeleeuwen, waarbij gelovigen werd wijsgemaakt dat zij de schuld voor hun zonden konden afkopen, zelfs als die nog niet eens waren begaan.

Biecht

Zonden worden in de Kerk vergeven in het sacrament van boete en verzoening. Als een priester de absolutie uitspreekt over de biechteling dan heeft hij die eerst een penitentie opgegeven. Zodra die penitentie is verricht dan zijn de zonden vergeven, wat echter niet wil zeggen dat het kwaad dat door die zonden is aangericht dan is weggepoetst. De Katholieke Kerk leert dat er in het hiernamaals nog een loutering plaatsvindt, voordat de gelovige naar de hemel gaat. Met indulgenties (= aflaten) kan die loutering worden verminderd, omdat aflaten op zich al louterend werken.

Gelijkenis

Het verschil tussen absolutie en indulgentie wordt wellicht duidelijk aan de hand van de volgende gelijkenis. Een man krijgt ruzie met een vriend van hem. Hij is zo boos dat hij diens tv uit het raam werpt. Een maand later krijgt de man spijt en vraagt zijn vriend om vergeving. De vriend strijkt over zijn hart en vergeeft hem. Maar daarmee zijn de kosten voor een nieuwe tv nog niet gecompenseerd. De man vraagt zijn vriend wat hij het liefste wil: een nieuwe tv of een geldbedrag. De vriend is echter zo barmhartig dat hij zegt geen van beide te willen. Hij heeft de man dus niet alleen vergiffenis geschonken maar hij scheldt ook diens schulden kwijt.

Definitie

Paus Paulus VI definieerde in zijn apostolische constitutie Indulgentiarum doctrina de aflaat aldus: “De aflaat is de kwijtschelding ten overstaan van God van tijdelijke straffen voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden; de goed ingestelde gelovige kan deze kwijtschelding onder bepaalde welomschreven voorwaarden verwerven door toedoen van de kerk die als beheerster van de verlossing met gezag de schat der voldoeningen van Christus en de heiligen uitdeelt en toepast.” En verder: “De aflaat is gedeeltelijk of vol, naargelang hij iemand geheel of gedeeltelijk verlost van de tijdelijke straffen die voor de zonde verschuldigd zijn.”

Macht

De katholieke overtuiging dat het kerkelijk gezag de macht heeft om aflaten te verlenen, berust op een passage uit het Mattheüs-evangelie. Daarin zegt Jezus aan zijn apostelen: “Ik verzeker jullie, wat jullie op aarde binden, zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat jullie op aarde ontbinden, zal ook in de hemel ontbonden zijn” (Mt. 18,18). De Kerk leert dat de apostelen deze macht tot binding en ontbinding op hun opvolgers, de bisschoppen, hebben overgedragen.

Indulgentie

De aflatenpraktijk is ontstaan in de Oudheid toen het boetesacrament nog openbaar was. Wie na zijn doopsel had gezondigd, kon alleen weer gerechtvaardigd worden door voor een zekere tijd boetewerken te verrichten die door de bisschop werden opgelegd. De boetelingen mochten vanwege de schending van hun doopgeloften om niet meer te zondigen, niet deelnemen aan de viering van het mysterie van Christus’ Lichaam en Bloed (de eucharistie). Na het verstrijken van de boeteperiode schonk de bisschop de boeteling vergeving in naam van Christus. Een bisschop, zich bewust van zijn apostolische volmacht, kon echter besluiten, als hij ervan overtuigd was geraakt dat de boeteling voldoende gelouterd was, om de boetetijd te verkorten. Deze vermindering van straftijd werd een indulgentie genoemd.

Oorbiecht

Na de invoering van de oorbiecht in de vroege Middeleeuwen kreeg het boetesacrament een privékarakter. Voortaan beleden de boetelingen hun zonden aan een priester, die op straffe van excommunicatie werd gehouden aan een biechtgeheim. De indulgenties werden daarmee verschoven naar het hiernamaals en wel het vagevuur of louteringsoord. De gelovigen werd voorgehouden dat zij indulgenties konden verdienen waarmee zij de tijd in het vagevuur konden verkorten. Deze aflaten waren vol of betroffen een aantal dagen. Deze waarde gemeten in dagen is een restant van de antieke praktijk waarin bisschoppen de boeteperiode konden verkorten.

Dubbel gevolg van zonde

De Catechismus van de Katholieke Kerk (CKK) legt uit dat een goed begrip van de aflaten en de praktijk ervan gebaseerd moet zijn op het inzicht dat de zonde een dubbel gevolg heeft. “Enerzijds leidt de zware zonde tot verbreking van de gemeenschap met God. Daardoor maakt ze ons onbekwaam voor eeuwig leven. Het gemis van het eeuwig leven wordt ‘eeuwige zondestraf’ genoemd. Anderzijds brengt elke zonde, ook een dagelijkse, een ongezonde gehechtheid aan de schepselen met zich mee. Deze gehechtheid heeft een loutering nodig, hetzij hier op aarde, hetzij na de dood in de toestand die vagevuur genoemd wordt. Deze loutering bevrijdt van wat men de ‘tijdelijke zondestraf’ noemt. Deze beide straffen moeten niet beschouwd worden als een soort wraakneming die God van buitenaf oplegt, maar als iets wat uit de aard van de zonde zelf voortvloeit. Een bekering die voortkomt uit een vurige liefde kan een volkomen loutering van de zondaar bewerken, zodat er in feite geen enkele straf meer overblijft” (nr. 1472). ‘Eeuwig’ en ‘tijdelijk’ moet hierbij niet worden opgevat als ‘aardse’ categorieën van tijd.

Genadeschat

De Kerk hanteert bij het verstrekken van aflaten het beeld van een schatkamer, waaruit rijkelijk geput kan worden. In deze schatkamer ligt een ‘genadeschat’. Paulus VI zegt hierover: “Dit is niet een geheel van goederen, die zich als materiële rijkdommen in de loop der eeuwen opgestapeld hebben. Ze bestaat veeleer in de oneindige en onuitputtelijke waarde die de uitboeting en de verdiensten van Christus onze Heer, opgedragen om heel de mensheid van de zonde te verlossen en haar te brengen tot gemeenschap met de Vader, voor God vertegenwoordigen. De schat van de kerk is Christus zelf, onze Verlosser, in wie de genoegdoening en de verdiensten van zijn verlossingswerk voortduren en waarde hebben.” De paus voegt eraan toe dat ook de gebeden en goede werken van de Maria de Moeder Gods en de heiligen tot deze schat gerekend worden.

Paus

Sinds eeuwen is het de bisschop van Rome die aflaten verstrekt, omdat hij als Opvolger van Petrusde universele herder is van de Kerk. Petrus kreeg van Jezus bijzondere volmachten: “Ik zeg jou: jij bent Petrus; op die steenrots zal Ik mijn kerk bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn (Mattheüs-evangelie 16,19).”

Verleenmomenten

De paus verstrekt aflaten bij bijvoorbeeld bijzondere gelegenheden als een Heilig Jaar, de Wereldjongerendagen of bepaalde pelgrimages. Ook kunnen gelovigen bijvoorbeeld een aflaat verdienen als zij de zegen Urbi et Orbi in ontvangst nemen. Een aantal aflaten hoeven niet telkens opnieuw worden aangeboden, maar zijn duurzaam verleend, zoals bij een bezoek aan sommige kerken (bijv. Portiuncula in Assisi) of de viering van bepaalde feesten. In de Codex van Canoniek Recht van 1983 staat dat ook andere kerkelijke gezagsdragers aflaten kunnen verlenen, maar dan alleen als de Apostolische Stoel dit toestaat (canon 995). Het orgaan van de Romeinse Curie dat zich in naam van de paus bezighoudt met aflaten is de Apostolische Penitentiarie, onder leiding van de kardinaal-grootpenitentiarius. Tijdens een Sede Vacante blijft deze prelaat in functie. 

Voorwaarden

Zoals gezegd zijn er voorwaarden aan het ontvangen van een aflaat verbonden. Op de eerste plaats dient de gelovige orthodox katholiek te zijn (dus geen ketter of schismaticus) en ‘in staat van genade’ te verkeren. Dat betekent dat zijn zonden moeten zijn vergeven in het sacrament van boete en verzoening (na de absolutie én het vervullen van de penitentie). Vervolgens moet hij deelgenomen hebben aan de Heilige Mis, de Communie hebben ontvangen, een Onzevader hebben opgezegd en hebben gebeden voor ‘de intenties van de paus’. Dat laatste betekent dat hij zich verenigt met de bijzondere zorgen van de paus voor diverse noden in de Kerk en de wereld. De Codex van Canoniek Recht voegt eraan toe dat iemand pas een aflaat kan ontvangen als hij ook de ‘algemene bedoeling’ heeft die te verdienen (canon 996).

Voor overledenen

Het is voor de gelovige niet alleen mogelijk om voor zichzelf aflaten te verdienen maar ook voor overledenen. “Aangezien ook de overleden gelovigen die zich in de louteringstoestand bevinden, leden zijn van de ene gemeenschap der heiligen, kunnen wij ze, onder andere door voor hen aflaten te verkrijgen, helpen bij het uitboeten van anderen” (CKK 1479) Volgens de Codex moet dit dan gebeuren “bij wijze van smeekbede voor overledenen” (canon 994).