Albigenzen

De Albigenzen vormden in de 13e eeuw een christelijke gemeenschap die zich afzette tegen de leer en de hiërarchie van de Katholieke Kerk. Zij werden door prediking en militaire strafexpedities fel bestreden. Hun leer gaat uit van de eeuwige strijd tussen het geestelijke en het 'vleselijke'. De menselijke ziel kan verlost worden uit de greep van het duivelse 'vlees' door een geestesdoop. Wie een dergelijke inwijding heeft ondergaan is onderworpen aan een strenge tucht van armoede, vasten en seksuele onthouding. De overgrote meerderheid van de Albigenzen stelden hun geestesdoop uit. In 1323 zou de laatste kathaar op de brandstapel zijn gezet.

Katharen
De Albigenzen werden ook wel katharen genoemd. Een machtig centrum van de kathaarse beweging bevond zich in de Occitaanse (zuid-Franse) stad Albi, vandaar 'Albigenzen'. Het katharisme ontstond in de twaalfde eeuw in de Languedoc en in noord-Italië.

Manicheïsme
Waarschijnlijk was de kathaarse leer een christelijke interpretatie van antieke stromingen als het Manicheïsme en de Gnosis. De katharen beschouwden zichzelf als de ware christenen, omdat zij zouden leven volgens de zuivere leer van Christus. Mogelijk is dat een verklaring voor de naam 'Katharen'; het Griekse katharos betekent 'zuiver'. De officiële Katholieke Kerk was volgens hen een corrumpering van de oorspronkelijke apostolische gemeenschap zoals die door Jezus Christus zou zijn bedoeld.

Verhouding God-Satan
De katharen namen afstand van het katholieke geloof in de ene God. Net als de manicheeërs geloofden zij in twee goddelijke principes: het Goede en het Kwade. Beide zijn in een eeuwige strijd met elkaar verwikkeld. Het Goede (God) staat voor het zuiver geestelijke; het Kwade (Satan) staat voor het stoffelijke en het 'vleselijke', dat is alles wat met lichamelijke lusten te maken heeft. Binnen het katharisme bestonden verschillende visies op de verhouding tussen God en Satan. De Italiaanse katharen geloofden dat Satan weliswaar Gods machtige tegenhanger is maar niettemin een schepsel van God; de Occitaanse katharen beschouwden God en Satan echter als twee gelijkwaardige goddelijke entiteiten.

Ziel
De mens was naar kathaarse opvatting een tweeledig wezen: zijn ziel zat gevangen in een door Satan geschapen lichaam. Verlossing wordt verkregen door te gehoorzamen aan Jezus Christus, Gods voornaamste schepsel. De kathaarse Jezus was een leraar met een schijnlichaam, die de zielen de weg naar een zuiver geestelijke bestaan had gewezen. Deze weg is er een van ascese en verachting van het stoffelijke. De zielen van onverloste wezens kunnen na hun dood weer terugkomen in andere lichamen, bijvoorbeeld die van dieren.

Perfecti
De kathaarse kerk kende aanvankelijk geen ambtelijke hiërarchie, maar wel een onderscheid tussen de zuivere elite en het gewone volk. De leden van de elite werden aangeduid als de Volmaakten (Perfecti in het Latijn) of Goede Mensen (Boni Homines of Bonhommes); de gewone katharen werden Gelovigen (Credentes) genoemd. Later toen de aanhang groeide, ontstond een kerkelijke hiërarchie met eigen bisschoppen, diakens en diaconessen.

Consolamentum
Een kathaar kon perfectus worden als hij het sacrament van de vertroosting, het consolamentum, had ontvangen. Katholieken pleegden dit kathaarse sacrament aan te duiden als de Ketterdoop. Het consolamentum werd door de katharen als een waterloze doop beschouwd: het was de Heilige Geest zelf die de perfecti in zijn werkelijkheid onderdompelde. De kathaarse gemeenschap bevestigde deze 'geestesdoop' door sobere inwijdingsrituelen, zoals boekoplegging en smeekgebeden. Alleen volwassen personen die er bij volle verstand en uit vrije wil voor kozen, konden het consolament ontvangen.

Melioramentum
Zodra een kathaar was ingewijd in de stand van de perfecti kreeg hij veel gezag in de gemeenschap. Zo kon hij de credentes een bijzondere zegen geven. De credentes konden door het vereren van een perfectus kenbaar maken dat ook zij eens lid wilden worden van de zuivere kerk. Deze verering werd melioramentum genoemd. Deze werd voltrokken door driemaal een kniebuiging voor een perfectus te maken en hem driemaal om zijn zegen te vragen.

Zuiver leven
Aan een perfectus werden hoge eisen gesteld. Omdat hij geacht werd het Goede te dienen, dat wil zeggen zuiver te zijn, moest hij in armoede leven en afzien van iedere vorm van afhankelijkheid van het door Satan gecreëerde 'vlees'. Dat hield in dat hij geen enkel levend wezen (behalve vissen) mocht doden en geen vlees, eieren en melk mocht consumeren. Ook moest hij afzien van seks.

Seksualiteit
Seksualiteit was volgens de kathaarse opvatting de wijze waarop Satan de zielen in zijn greep hield. In dat opzicht was het sluiten van een huwelijk een doodzonde, omdat daarmee de duivelse voortplanting werd geïnstitutionaliseerd. Prostitutie en verkrachting waren ook zwaar zondig, maar lang niet zo erg als het huwelijk. Het uitsterven van de mens was dus een kathaars ideaal.

Vrouwen
De vrouw was naar kathaarse opvatting een instrument van de duivel. Door haar begeerlijkheid kon ze mannen naar de verdoemenis helpen. Desondanks konden vrouwen het consolamentum ontvangen. Zij werden dan perfectae genoemd. Bij het inwijdingsritueel mochten de kandidaten niet aangeraakt worden en moesten zij geheel en al gesluierd zijn. De zuivering die de vrouwen ondergingen betekende dat zij geslachtsloos geworden waren. Na hun dood keerden hun zielen naar de oorspronkelijke, mannelijke staat terug. Zwangere vrouwen kwamen niet voor het consolamentum in aanmerking, omdat de vrucht als een duivels wezen beschouwd werd.

Endura
Strikt genomen waren alleen de perfecti en perfectae lid van de kathaarse kerk. Omdat de ethische eisen zo hoog waren, behoorde de overgrote meerderheid van de kathaarse gemeenschap niet tot de kring der perfecti. Dat stelde hen in staat om een vrijzinnig leven te leiden: van een oningewijde kan immers niet verwacht worden dat hij zuiver leeft. De meeste katharen ontvingen het consolamentum dus pas vlak voor hun dood. Eenmaal 'gedoopt in de Geest' moesten ze zich aan de strenge kathaarse tucht houden, anders zouden ze alsnog in de greep van Satan komen. Dat kwam erop neer dat ze zichzelf moesten onderwerpen aan zelfuithongering. Deze rituele uithongering heette endura. Zij die deze 'zuivering' niet vol konden houden, pleegden soms zelfmoord. De endura werd ook gepraktiseerd door katharen die wisten dat ze zouden sterven op de brandstapel.

Innocentius III
Het katharisme was rond 1200 verbreid over bijna de gehele Languedoc. Veel Occitaanse edellieden beschouwden zichzelf als credentes of minstens als sympathisanten en gaven militaire steun aan de kathaarse kerk. De katholieke bisschoppen, onder wie de paus, waren zeer geducht voor de toenemende populariteit van de katharen. Bij het gewone volk wekten de kathaarse predikers bijzonder veel sympathie omdat ze zich afzetten tegen de materiële weelde van de katholieke gezagsdragers. De katholieke bisschoppen zagen in dat het oprukkende katharisme niet alleen een ondermijning van de katholieke dogma's maar ook van de maatschappelijke orde. De kathaarse afkeer van uiterlijkheid en materie betekende ook een afkeer van iedere vorm van wereldlijk gezag. Deze toestand was voor paus Inncocentius III (1198-1216) zo bedreigend dat hij zei dat 'de katharen gevaarlijker zijn dan de islamitische Saracenen'.

Bestrijding
Innocentius III besloot tot een felle bestrijding van het katharisme. Eerst stuurde hij pauselijke legaten die het rechtzinnige geloof overal in Occitanië predikten. Ook liet hij openbare theologische disputen organiseren. Zelfs de prediking van katholieke bedelmonniken zoals de heilige Dominicus had weinig resultaat. Dat kwam vooral door de tegenwerking van graaf Raymond VI van Toulouse. Deze gaf militaire bescherming aan de katharen, waarvoor hij in 1207 door de paus werd geëxcommuniceerd. Toen het jaar daarop de pauselijke legaat Petrus de Castelneau door katharen werd vermoord, besloot Innocentius tot het oproepen van een kruistocht tegen de Albigenzen. De paus vond vooral gehoor bij de Franse koning, die de onafhankelijke graafschappen in Occitanië bij Frankrijk wilde inlijven.

Kruistocht tegen de Albigenzen
De eerste aanvoerder van de kruistocht was Arnaldus Amalric, generale abt van de orde der Cisterciënzers. Op 12 juli 1209 stond het katholieke leger aan de poorten van Béziers. Arnaldus eiste de uitlevering van de katharen. Het stadsbestuur weigerde echter hun Bonhommes uit te leveren, waarop de abt het bevel gaf de stad te bestormen. Volgens kronieken werden daarbij 20.000 inwoners meedogenloos gedood. De Kruistocht tegen de Albigenzen zou nog twintig jaar duren. Geleidelijk veranderde de godsdienstige strafexpeditie in een seculiere veroveringsoorlog door de koning van Frankrijk en zijn edelen. Op 12 juni 1229 kwam een officieel einde aan de kruistocht met het Verdrag van Meaux. Daardoor vielen het graafschap Toulouse en het burggraafschap van Carcassonne, Béziers en Albi voortaan onder de Franse kroon.

Inname Montségur
De kruistocht had de katharen niet definitief het zwijgen kunnen opleggen. Veel Albigenzen hadden zich verschanst in de burcht Montségur in de Pyreneeën. In 1244 namen Franse troepen Montségur in en zorgden ervoor dat de daar verblijvende katharen op de brandstapel kwamen. Nog was het katharisme niet uitgeroeid. In het bergachtige Haute-Ariège was aan het begin van de 14e eeuw zelfs sprake van een heropbloei. De orde der Dominicanen werd door de paus belast met de verjaging van de ketters in dat gebied.

Montaillou
Een van de laatste kathaarse bolwerken in de Pyreneeën was Montaillou. Dit dorp is beroemd geworden door de studie van Emmanuel le Roy Ladurie: Montaillou, village occitan de 1294 à 1324, gepubliceerd in 1975. Dit boek is gebaseerd op de bewaard gebleven notulen van het ketterproces tegen de allerlaatste katharen. Alle getuigenverklaringen en uitspraken van inquisiteurs werden op last van bisschop Jacques Fournier (de latere paus Benedictus XII) op schrift gesteld. Daaruit wordt duidelijk dat de laatste perfectus, Guillaume Bélibaste, in 1323 op de brandstapel stierf.