Aristoteles

De Griekse wijsgeer Aristoteles (384-322 v.Chr.) gold in zijn tijd als de grootste geleerde ter wereld. Hij streefde naar universele kennis. In tegenstelling tot zijn leermeester Plato leerde hij dat alle kennis verworven wordt via de zintuigen. Daarom besteedde hij veel aandacht aan de waarneming der dingen. Aristoteles is de grondlegger van de logica, de leer die zich op systematische wijze bezighoudt met redeneren en argumenteren. Op moraalfilosofisch gebied is hij beroemd geworden vanwege zijn deugdenleer.
lees verder: Aristoles: leer

Pas vanaf de 12e eeuw werden de werken van Aristoteles in West-Europa bestudeerd. Zijn zijns- en godsleer (metafysica) was van grote invloed op Sint Thomas van Aquino (1225-1274), die Aristoteles steevast 'de Filosoof' noemde. Aristoteles' natuurwetenschappelijke opvattingen bepaalden in Europa eeuwenlang het wereldbeeld.

A. LEVEN

Stagiriet
Aristoteles 'de Stagiriet' werd in 384 v. Chr. geboren in Stageira, een Ionische stad aan de kust van Chalcidice (in het noorden van het huidige Griekenland). Zijn vader Nicomachus was de hofarts van koning Amyntas III van Macedonië.

Academie
Na het overlijden van zijn vader vertrok de 18-jarige Aristoteles naar Athene om er aan de Academie van Plato te studeren. Sinds 360 nam hij ook actief deel aan de vorming van de jongere studenten, vooral op het gebied van de logica en de retorica. Na de dood van Plato in 347 werden Aristoteles en andere docenten door vorst Hermeias, een oud-student van de Academie, uitgenodigd op diens landgoed in Assos te doceren. Daar stichtten ze een dépendance van de Academie. Drie jaar later verhuisde Arististoteles naar Lesbos, waar hij zich vooral bezighield met zoölogie.

Alexander de Grote
In 343 werd Aristoteles, die bekend stond als de grootste geleerde van zijn tijd, door koning Philippus II van Macedonië benoemd tot de persoonlijke docent van diens zoon, de latere koning Alexander de Grote. Aan deze betrekking kwam een einde in 340 toen Alexander regent werd. Of Aristoteles hem heeft leren filosoferen is onbekend. Vermoedelijk gingen de lessen vooral over dichtkunst, geneeskunst, het dierenrijk en geografie.

Lyceum
In 335 keerde Aristoteles naar Athene terug nadat Alexander als koning de macht over de Griekse steden had verworven. Hij gaf colleges in een buiten de stad gelegen gymnasium dat Lukeion(Lyceum) genoemd werd, naar Lukios ('de Wolf'), een bijnaam van de god Apollo, die daar vereerd werd. Een eigen school heeft Aristoteles niet gesticht, omdat hij daartoe als niet-Athener niet gerechtigd was. Uit het gezelschap van Aristoteles' studenten ontstond na zijn dood de Peripatetische School, van peripatos (wandelgang), vermoedelijk de overdekte galerij in het Lyceum waar Aristoteles college had gegeven.

Vlucht uit Athene
De dood van Alexander de Grote in 323 maakte in Athene felle anti-Macedonische krachten los. Deze keerden zich ook tegen Aristoteles, die als oud-leraar van de overleden heerser tot ongewenste vreemdeling werd verklaard. Net als Socrates werd hij door een machtige burgercommissie van ongodsdienstigheid beschuldigd. Aristoteles vluchtte naar Chalcis op het eiland Eubea, waar hij in 322 stierf.

B. WERKEN

Corpus Aristotelicum
De meeste geschriften die Aristoteles zelf heeft gepubliceerd zijn verloren gegaan. Daartoe behoorden ook zijn dialogen. Vele van zijn collegeaantekeningen zijn echter bewaard gebleven. Deze werden door commentatoren in de late Oudheid verzameld en geordend tot het zogenoemde Corpus Aristotelicum. Het betreft 44 geschriften, door (Latijnse) redacteurs genoemd naar het onderwerp van het geschrift. Zij kunnen worden verdeeld in vijf groepen:

  1. het Organon: de logische geschriften;
  2. de natuurfilosofische geschriften; deze betreffen onder meer het ondermaanse, de kosmos, de sterren, het dierenrijk en de ziel;
  3. de Metaphysica; dit werk bestaat uit tien geschriften over de fundamentele problemen van de wijsbegeerte, zoals verandering, oorzakelijkheid, het zijn, eenheid/veelheid, waarheid en goddelijkheid;
  4. praktisch-wijsgerige geschriften; zij gaan onder meer over het goede leven, de deugden en de staat; de voornaamste zijn de Ethica Nicomachea en de Politica.
  5. letterkundige geschriften: de Poetica en de Rhetorica

C. INVLOED

Peripatos
Aristoteles stond aan het hoofd van een school die later de Peripatos zou gaan heten. In zijn testament liet hij zijn vrienden 'de tuin, de wandelgang (peripatos) en alle woongelegenheden die bij de tuin horen' na. Na zijn dood werd hij door Theophrastos van Eresos (372/369 - 288/285) opgevolgd. Hij bracht de school der peripatetici tot grote bloei. Van zijn hand verschenen zo'n 200 filosofische geschriften. Soms wijst Theophrastos op een aantal moeilijkheden in het werk van Aristoteles. Latere peripatetici nemen afstand van voorname aristotelische standpunten. Rond het jaar 200 v. Chr. verloor de Peripatetische School haar betekenis. In de tweede helft van de eerste eeuw v. Chr. kwam het aristotelisme dankzij Andronikos van Rhodos weer tot bloei. In die tijd kwam het Corpus Aristotelicum tot stand. In de eeuwen die daarop volgden werd de leer van Aristoteles levend gehouden door commentatoren. Vanaf de vijfde eeuw na Chr. waren het vooral neoplatonici die zich toelegden op het becommentariëren van het werk van de Stagiriet. Zij streefden naar een synthese van Plato en Aristoteles. De bekendsten waren Ammonios Hermias en Simplikios.

Onbekend in Europa
In West-Europa is het werk van Aristoteles lange tijd onbekend gebleven. De vroegste Latijnse vertalingen werden gemaakt door de christelijke filosoof Boëthius (ca.480-ca.524) en betreffen slechts twee logische geschriften. Pas omstreeks 1130 verschenen de overige geschriften van het Organon in het Latijn. De rest van het Corpus Aristotelicum werd pas eind 12e eeuw toegankelijk voor de Europese onderwijsinstituten.

Nestorianisme
De meeste van de Latijnse vertalingen uit die tijd gaan terug op Arabische vertalingen en niet op de originele, Griekse teksten. Dat komt omdat het katholieke westen eeuwenlang argwanend tegenover de filosofie van Aristoteles had gestaan. Dit vanwege de rol die het aristotelische gedachtegoed speelde in het Nestorianisme, waarvan het intellectueel centrum zich bevond in Edessa in Syrië. Deze christelijke doctrine werd door het Concilie van Efeze (431) als ketters veroordeeld, omdat niet aanvaard werd dat Christus zowel God als mens is en dat Maria daarom de Moeder van God is. De nestorianen weken na hun veroordeling uit naar Perzië en missioneerden van daaruit onder meer in Arabië. De nestorianen vertaalden Aristoteles in het Syrisch, Perzisch en Arabisch. Toen eeuwen later de islam de dominante godsdienst in het Midden-Oosten geworden was, lag het voor de hand dat moslimgeleerden het reeds gevestigde aristotelisme als denkkader gebruikten.

Arabische en joods aristotelisme
Omstreeks het jaar 800 was het Arabisch een wetenschappelijke wereldtaal geworden. De in het Arabisch vertaalde werken van Aristoteles raakten overal bekend waar de islam domineerde: van de Pyreneeën tot aan de Indus. In dit immense gebied ontstonden belangrijke commentaren op Aristoteles. Het eerste was van de Perzische geleerde Aboe Ali Al-Hoessein Ibn Abdoellah Ibn Sina (980-1037), in het Westen bekend onder de naam Avicenna. De tweede grote commentator was Aboe'l-Walid Ibn Roesjd (1126-1198), in het Westen bekend als Averroës. Deze arts, jurist en wijsgeer kwam uit Córdoba, Andalusië. Het merkwaardige van deze twee moslimgeleerden is dat ze meer invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de katholieke filosofie en theologie dan op het islamitische denken. Een derde grote naam is die van Mozes Maimonides (1135-1204). Deze joodse Andalusiër probeerde het geloof in de God van Israël in overeenstemming te brengen met de metafysica en de kosmologie van Aristoteles.

Christelijk aristotelisme
De Aristoteles-commentaren van Avicenna, Averroës en Maimonides werden in de 12e en 13e eeuw in het christelijke gebied van Spanje in het Castilliaans en in het Latijn vertaald. Toen ze in bezit kwamen van West-Europese kloosters en universiteiten ontstond het christelijk aristotelisme. Later werden de geschriften van Aristoteles rechtstreeks vanuit de Griekse grondtekst vertaald. Het universitair-kerkelijk leergezag waarschuwde aanvankelijk voor Aristoteles, omdat zijn leer gemakkelijk tot ketterij kon leiden. In 1270 en 1277 werd aan de Universiteit in Parijs het Averroïsme, de Latijnse interpretatie van de Aristoteles-commentaren van Averroës, veroordeeld. Een van de vertegenwoordigers van deze stroming was Siger van Brabant (ca.1240-1280). Diens universitaire opponenten waren de dominicanen Albertus Magnus en Thomas van Aquino. De laatste noemde Aristoteles steevast 'de Filosoof' en Averroës 'de Commentator'. Beiden worden tot de aristotelici gerekend, maar dat betekent niet dat zij geheel afstand namen van het augustiniaans neoplatonisme. Zij streefden naar een synthese van de zijnsleer van Plato en die van Aristoteles.

Moderne wetenschap
Vanaf de tijd dat Aristoteles in de christelijke wereld werd aanvaard tot aan de doorbraak van de moderne wetenschappen was Aristoteles' natuurfilosofie bepalend voor het heersende wereldbeeld in Europa. Aristoteles' geschriften werden vanaf de 14e eeuw als dogmatische documenten beschouwd. Bertrand Russell schrijft in zijn History of Western Philosophy (1946): "Copernicus, Kepler en Galileo moesten zowel Aristoteles als de Bijbel bevechten om het inzicht te vestigen dat de aarde niet het centrum van het heelal is, maar dagelijks roteert en in een jaar om de zon draait" (hoofdstuk XXIII). Ook de mechanica van Isaac Newton en de evolutietheorie van Charles Darwin zijn aanvallen op Aristoteles' natuurwetenschappelijke hegemonie.

 

Pas vanaf de 12e eeuw werden de werken van Aristoteles in West-Europa bestudeerd. Zijn zijns- en godsleer (metafysica) was van grote invloed op Sint Thomas van Aquino (1225-1274), die Aristoteles steevast 'de Filosoof' noemde. Aristoteles' natuurwetenschappelijke opvattingen bepaalden in Europa eeuwenlang het wereldbeeld.

A. LEVEN

Stagiriet
Aristoteles 'de Stagiriet' werd in 384 v. Chr. geboren in Stageira, een Ionische stad aan de kust van Chalcidice (in het noorden van het huidige Griekenland). Zijn vader Nicomachus was de hofarts van koning Amyntas III van Macedonië.

Academie
Na het overlijden van zijn vader vertrok de 18-jarige Aristoteles naar Athene om er aan de Academie van Plato te studeren. Sinds 360 nam hij ook actief deel aan de vorming van de jongere studenten, vooral op het gebied van de logica en de retorica. Na de dood van Plato in 347 werden Aristoteles en andere docenten door vorst Hermeias, een oud-student van de Academie, uitgenodigd op diens landgoed in Assos te doceren. Daar stichtten ze een dépendance van de Academie. Drie jaar later verhuisde Arististoteles naar Lesbos, waar hij zich vooral bezighield met zoölogie.

Alexander de Grote
In 343 werd Aristoteles, die bekend stond als de grootste geleerde van zijn tijd, door koning Philippus II van Macedonië benoemd tot de persoonlijke docent van diens zoon, de latere koning Alexander de Grote. Aan deze betrekking kwam een einde in 340 toen Alexander regent werd. Of Aristoteles hem heeft leren filosoferen is onbekend. Vermoedelijk gingen de lessen vooral over dichtkunst, geneeskunst, het dierenrijk en geografie.

Lyceum
In 335 keerde Aristoteles naar Athene terug nadat Alexander als koning de macht over de Griekse steden had verworven. Hij gaf colleges in een buiten de stad gelegen gymnasium dat Lukeion(Lyceum) genoemd werd, naar Lukios ('de Wolf'), een bijnaam van de god Apollo, die daar vereerd werd. Een eigen school heeft Aristoteles niet gesticht, omdat hij daartoe als niet-Athener niet gerechtigd was. Uit het gezelschap van Aristoteles' studenten ontstond na zijn dood de Peripatetische School, van peripatos (wandelgang), vermoedelijk de overdekte galerij in het Lyceum waar Aristoteles college had gegeven.

Vlucht uit Athene
De dood van Alexander de Grote in 323 maakte in Athene felle anti-Macedonische krachten los. Deze keerden zich ook tegen Aristoteles, die als oud-leraar van de overleden heerser tot ongewenste vreemdeling werd verklaard. Net als Socrates werd hij door een machtige burgercommissie van ongodsdienstigheid beschuldigd. Aristoteles vluchtte naar Chalcis op het eiland Eubea, waar hij in 322 stierf.

B. WERKEN

Corpus Aristotelicum
De meeste geschriften die Aristoteles zelf heeft gepubliceerd zijn verloren gegaan. Daartoe behoorden ook zijn dialogen. Vele van zijn collegeaantekeningen zijn echter bewaard gebleven. Deze werden door commentatoren in de late Oudheid verzameld en geordend tot het zogenoemde Corpus Aristotelicum. Het betreft 44 geschriften, door (Latijnse) redacteurs genoemd naar het onderwerp van het geschrift. Zij kunnen worden verdeeld in vijf groepen:

  1. het Organon: de logische geschriften;
  2. de natuurfilosofische geschriften; deze betreffen onder meer het ondermaanse, de kosmos, de sterren, het dierenrijk en de ziel;
  3. de Metaphysica; dit werk bestaat uit tien geschriften over de fundamentele problemen van de wijsbegeerte, zoals verandering, oorzakelijkheid, het zijn, eenheid/veelheid, waarheid en goddelijkheid;
  4. praktisch-wijsgerige geschriften; zij gaan onder meer over het goede leven, de deugden en de staat; de voornaamste zijn de Ethica Nicomachea en de Politica.
  5. letterkundige geschriften: de Poetica en de Rhetorica

C. INVLOED

Peripatos
Aristoteles stond aan het hoofd van een school die later de Peripatos zou gaan heten. In zijn testament liet hij zijn vrienden 'de tuin, de wandelgang (peripatos) en alle woongelegenheden die bij de tuin horen' na. Na zijn dood werd hij door Theophrastos van Eresos (372/369 - 288/285) opgevolgd. Hij bracht de school der peripatetici tot grote bloei. Van zijn hand verschenen zo'n 200 filosofische geschriften. Soms wijst Theophrastos op een aantal moeilijkheden in het werk van Aristoteles. Latere peripatetici nemen afstand van voorname aristotelische standpunten. Rond het jaar 200 v. Chr. verloor de Peripatetische School haar betekenis. In de tweede helft van de eerste eeuw v. Chr. kwam het aristotelisme dankzij Andronikos van Rhodos weer tot bloei. In die tijd kwam het Corpus Aristotelicum tot stand. In de eeuwen die daarop volgden werd de leer van Aristoteles levend gehouden door commentatoren. Vanaf de vijfde eeuw na Chr. waren het vooral neoplatonici die zich toelegden op het becommentariëren van het werk van de Stagiriet. Zij streefden naar een synthese van Plato en Aristoteles. De bekendsten waren Ammonios Hermias en Simplikios.

Onbekend in Europa
In West-Europa is het werk van Aristoteles lange tijd onbekend gebleven. De vroegste Latijnse vertalingen werden gemaakt door de christelijke filosoof Boëthius (ca.480-ca.524) en betreffen slechts twee logische geschriften. Pas omstreeks 1130 verschenen de overige geschriften van het Organon in het Latijn. De rest van het Corpus Aristotelicum werd pas eind 12e eeuw toegankelijk voor de Europese onderwijsinstituten.

Nestorianisme
De meeste van de Latijnse vertalingen uit die tijd gaan terug op Arabische vertalingen en niet op de originele, Griekse teksten. Dat komt omdat het katholieke westen eeuwenlang argwanend tegenover de filosofie van Aristoteles had gestaan. Dit vanwege de rol die het aristotelische gedachtegoed speelde in het Nestorianisme, waarvan het intellectueel centrum zich bevond in Edessa in Syrië. Deze christelijke doctrine werd door het Concilie van Efeze (431) als ketters veroordeeld, omdat niet aanvaard werd dat Christus zowel God als mens is en dat Maria daarom de Moeder van God is. De nestorianen weken na hun veroordeling uit naar Perzië en missioneerden van daaruit onder meer in Arabië. De nestorianen vertaalden Aristoteles in het Syrisch, Perzisch en Arabisch. Toen eeuwen later de islam de dominante godsdienst in het Midden-Oosten geworden was, lag het voor de hand dat moslimgeleerden het reeds gevestigde aristotelisme als denkkader gebruikten.

Arabische en joods aristotelisme
Omstreeks het jaar 800 was het Arabisch een wetenschappelijke wereldtaal geworden. De in het Arabisch vertaalde werken van Aristoteles raakten overal bekend waar de islam domineerde: van de Pyreneeën tot aan de Indus. In dit immense gebied ontstonden belangrijke commentaren op Aristoteles. Het eerste was van de Perzische geleerde Aboe Ali Al-Hoessein Ibn Abdoellah Ibn Sina (980-1037), in het Westen bekend onder de naam Avicenna. De tweede grote commentator was Aboe'l-Walid Ibn Roesjd (1126-1198), in het Westen bekend als Averroës. Deze arts, jurist en wijsgeer kwam uit Córdoba, Andalusië. Het merkwaardige van deze twee moslimgeleerden is dat ze meer invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de katholieke filosofie en theologie dan op het islamitische denken. Een derde grote naam is die van Mozes Maimonides (1135-1204). Deze joodse Andalusiër probeerde het geloof in de God van Israël in overeenstemming te brengen met de metafysica en de kosmologie van Aristoteles.

Christelijk aristotelisme
De Aristoteles-commentaren van Avicenna, Averroës en Maimonides werden in de 12e en 13e eeuw in het christelijke gebied van Spanje in het Castilliaans en in het Latijn vertaald. Toen ze in bezit kwamen van West-Europese kloosters en universiteiten ontstond het christelijk aristotelisme. Later werden de geschriften van Aristoteles rechtstreeks vanuit de Griekse grondtekst vertaald. Het universitair-kerkelijk leergezag waarschuwde aanvankelijk voor Aristoteles, omdat zijn leer gemakkelijk tot ketterij kon leiden. In 1270 en 1277 werd aan de Universiteit in Parijs het Averroïsme, de Latijnse interpretatie van de Aristoteles-commentaren van Averroës, veroordeeld. Een van de vertegenwoordigers van deze stroming was Siger van Brabant (ca.1240-1280). Diens universitaire opponenten waren de dominicanen Albertus Magnus en Thomas van Aquino. De laatste noemde Aristoteles steevast 'de Filosoof' en Averroës 'de Commentator'. Beiden worden tot de aristotelici gerekend, maar dat betekent niet dat zij geheel afstand namen van het augustiniaans neoplatonisme. Zij streefden naar een synthese van de zijnsleer van Plato en die van Aristoteles.

Moderne wetenschap
Vanaf de tijd dat Aristoteles in de christelijke wereld werd aanvaard tot aan de doorbraak van de moderne wetenschappen was Aristoteles' natuurfilosofie bepalend voor het heersende wereldbeeld in Europa. Aristoteles' geschriften werden vanaf de 14e eeuw als dogmatische documenten beschouwd. Bertrand Russell schrijft in zijn History of Western Philosophy (1946): "Copernicus, Kepler en Galileo moesten zowel Aristoteles als de Bijbel bevechten om het inzicht te vestigen dat de aarde niet het centrum van het heelal is, maar dagelijks roteert en in een jaar om de zon draait" (hoofdstuk XXIII). Ook de mechanica van Isaac Newton en de evolutietheorie van Charles Darwin zijn aanvallen op Aristoteles' natuurwetenschappelijke hegemonie.