Een van de meest bijzondere en mysterieuze voorschriften in het Oude Testament betreft het ritueel van de rode vaars. Het staat beschreven in het negentiende hoofdstuk van het boek Numeri. Het had als doel Israëlieten ritueel te reinigen nadat zij in aanraking waren geweest met een dode.

Het ritueel verliep in grote lijnen als volgt:

Er moest een jongvolwassen koe (vaars) worden gekozen, die volledig rood was, zonder enig gebrek en waarop nooit een juk had gelegen. De vaars werd buiten het kamp geslacht. Vervolgens moest het hele dier worden verbrand: huid, vlees, bloed en ingewanden. Tijdens de verbranding werden ook cederhout, hysop en scharlaken wol in het vuur geworpen. De as werd zorgvuldig verzameld en bewaard.

Wanneer iemand ritueel onrein was geworden door contact met een lijk, werd een kleine hoeveelheid van die as gemengd met water uit een stroom. Met een bundel hysop werd dit water op de derde en zevende dag over de onreine persoon gesprenkeld. Daarna werd die persoon weer ritueel rein verklaard. Degenen echter die de koe hadden geslacht en verbrand en de as hadden verzameld, werden daardoor zelf tijdelijk ritueel onrein tot de avond.

In het oude Israël had dit ritueel vooral betekenis voor de tempeldienst. Rituele onreinheid door contact met lijken verhinderde deelname aan de eredienst en het betreden van de heilige ruimte. De reiniging herstelde die mogelijkheid; het ging dus niet om morele schuld of vergeving van zonden.

In de Joodse traditie wordt dit gebod beschouwd als een van de moeilijkst te begrijpen voorschriften (chok): een goddelijk bevel waarvan de diepere reden niet volledig wordt uitgelegd. Volgens de rabbijnse overlevering werden er vanaf de tijd van Mozes tot aan de verwoesting van de Tweede Tempel slechts een klein aantal rode vaarzen gebruikt.

In het Nieuwe Testament wordt op één plek het ritueel van de rode vaars vermeld: Hebreeën 9,13. Het gaat over het eeuwige hogepriesterschap van Jezus Christus, die zowel offeraar als offer is:

Het bloed van zijn offer is zijn eigen bloed, niet dat van bokken en kalveren. Zo is Hij het heiligdom binnengegaan, eens voor altijd, en Hij heeft een eeuwige verlossing verworven. Want als het bloed van bokken en stieren en de gesprenkelde as van een vaars de verontreinigden kan heiligen zodat zij wettelijk rein worden, hoeveel groter is de kracht van Christus' bloed! Door de eeuwige Geest heeft Hij zichzelf aan God geofferd als een smetteloos offer, dat onze ziel zuivert van dode werken om de levende God te eren.