Basiliek

Een basiliek is in de Rooms-Katholieke Kerk een kerkgebouw met een bijzondere status. Alleen de paus bepaalt welke kerken basiliek mogen heten. Basilieken hebben een belangrijke rol in de kerkgeschiedenis gespeeld of vormen het centrum van bedevaarten.

Openbare hal
Basiliek komt van het Latijnse basilica, dat oorspronkelijk 'vorstelijke woning' betekende. Het is afgeleid van het Griekse basilikos ('koninklijk'). Later kreeg basilica bij de heidense Romeinen de betekenis van 'grote, openbare hal'. In een basilica in het antieke Rome werden rechtzittingen en markten gehouden.

Schepen met zuilen
De basiliek als kerkgebouw ontstond vanaf het moment dat de christelijke religie door de Romeinse heersers werd gelegaliseerd (in 313). Naar het model van zowel het Grieks-Romeinse woonhuis als de openbare markthal ontwikkelde zich de vroeg-christelijke kerkbouwstijl, die 'basiliekbouw' wordt genoemd. Een basiliek had de vorm van een langwerpige drie- of meerschepige bouw met zuilen. Andere kenmerken waren de zichtbare balkenconstructie of het cassettenplafond en de halfronde apsis als achterdeel. In de apsis stond de cathedra (bisschopszetel) met stenen bank voor de priesters (presbyterium).

Middeleeuwen
In de romaanse en gotische periode kregen de kerken gewelven die op pijlers en beren steunden. Ook werd een transept toegevoegd, waardoor de basilicale kerken de vorm van een kruis kregen (kruisbasiliek). De meeste Europese kerken zijn basilicale gebouwen. Basilicaal heeft hier de betekenis van langwerpig. In de Byzantijnse wereld (Rusland incluis) daarentegen zijn de kerken meestal gecentreerd (centraalbouw). 

Kerkjuridische betekenis
Naast een architectonische heeft het begrip 'basiliek' ook een kerkjuridische betekenis. Sommige rooms-katholieke godshuizen heten basilieken. Basiliek in die zin is een eretitel die een kerk kan dragen. Alleen de paus kan deze titel verlenen. 

Grootbasilieken
Sinds de zevende eeuw voeren de volgende kerken de eretitel basilica maior ('grootbasiliek'):

  • de Sint-Pieter van het Vaticaan (San Pietro),
  • de Sint-Jan-van-Lateranen (San Giovanni in Laterano),
  • de Sint-Maria-de-Meerdere (Santa Maria Maggiore),
  • de Sint-Paul-buiten-de-Muren (San Paolo fuori le Mura).

Deze kerken onderscheiden zich met een pauselijk altaar, een pauselijke zetel en een Heilige Deur, die alleen in een door de paus uitgeroepen Heilig Jaar geopend mag worden.
Vroeger werden de grootbasilieken ook 'patriarchale basilieken' genoemd, omdat ze verbonden waren met de antieke patriarchaten van de christenheid. Zo was de Sint-Jan-van Lateranen de zetel van het patriarchaat Rome, de Sint-Pieter was verbonden met Constantinopel, de Sint-Paulus-buiten-de-Muren met Alexandrië en de Maria-de-Meerdere met Antiochië. De basiliek Sint-Laurentius-buiten-de-Muren (geen basilica maior) was verbonden met het patriarchaat Jeruzalem.

Pontificale basilieken
De volgende kerken dragen de titel 'pontificale basiliek' (basilica pontificia):

  • Basiliek van Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans in Pompei
  • Basiliek van Sint Nicolaas in Bari
  • Basiliek van Sint Antonius in Padua
  • Basiliek van het Heilig Huis van Loreto

Pauselijke basilieken
De volgende kerken dragen de titel 'pauselijke basiliek':

  • Basiliek van Sint Franciscus in Assisi, sinds 1754
  • Basiliek van de Heilige Maria der Engelen in Portiuncula, sinds 1909

Patriarchale basilieken
De volgende kerken dragen de titel 'patriarchale basiliek' omdat ze van oudsher verbonden zijn met het antieke patriarchaat van Alexandrië:

  • Kathedrale basiliek van Sint Marcus in Venetië
  • Basiliek van Aquileia (Werelderfgoedlocatie UNESCO)

Voorwaarden
Naast de hierboven genoemde basilieken kent de wereldkerk een groot aantal kleinere basilieken (basilicae minores). Om basiliek te worden moet een kerk voldoen aan bepaalde voorwaarden. De belangrijkste: ze moet oud zijn, bijzonder mooi zijn, als bedevaartplaats gelden, grote devotie voor een of meerdere heiligen kennen. In de laatste halve eeuw wordt daarbij meer en meer gekeken naar pastorale aspecten, zoals de uitvoering van de liturgie, de vitaliteit van de geloofsgemeenschap en de betekenis van de kerk voor de regio. Wordt aan deze voorwaarden voldaan, dan kan de paus per pauselijke breve een kerk, meestal bij een bepaalde gelegenheid tot basiliek verheffen. Daaraan moet ook de Congregatie voor de Eredienst haar goedkeuring hechten.

Kathedralen
Vaak wordt de eretitel basiliek verward met de titel kathedraal. Een kathedraal is echter een zetelkerk van een bisschop. Niet alle basilieken zijn kathedralen en niet alle kathedralen zijn basilieken.

Onderscheidingstekens
Een basiliek mag enkele onderscheidingstekens voeren. De belangrijkste zijn het conopeum (een half uitgeklapte parasol in de oude pauselijke kleuren geel-rood) en het tintinnabulum (een ceremonieel klokje op een standaard). Het conopeum diende vroeger om priesters tijdens processies te beschutten tegen zon en regen, waarbij het conopeum in de pauselijke kleuren bestemd was voor als de paus langs mocht komen. Het tintinnabulum werd gebruikt om de komst van processies aan te kondigen. Een basiliek mag een eigen wapen voeren, met in het schildhoofd het conopeum en het tintinnabulum gekruist en op een zwart veld. Dit wapen kan in Nederland door de Hoge Raad van Adel verleend worden. Tot de plichten behoren een aantal liturgische herdenkingsdagen zoals de dag van de titelverlening en de dag van de proclamatie van de titel, feest van de patroon. Dan nog het hoogfeest van Petrus en Paulus (29 juni) en de verjaardag van de pauskeuze.

Basilieken in Nederland
De eerste kerk die in Nederland tot basilica minor werd verheven was in 1883 de Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart te Sittard. In totaal telt ons land nu 26 basilieken. In alfabetische volgorde:

  • Almelo (St. Georgiuskerk, 2009);
  • Amsterdam (St. Nicolaaskerk, 2012);
  • Bolsward (St. Franciscus van Assisikerk, 2017);
  • Boxmeer (St. Petruskerk, 2000);
  • Boxtel (St. Petruskerk, 2012);
  • Groenlo (St. Calixtuskerk, 2014);
  • Haarlem (St. Bavokathedraal, 1948);
  • Hengelo (St. Lambertuskerk, 1997);
  • 's-Hertogenbosch (St. Janskathedraal, 1929);
  • Hulst (St. Willibrorduskerk, 1935);
  • Laren (St. Jankerk, 1937);
  • Maastricht (O.L.V.-kerk, 1933);
  • Maastricht (St. Servaaskerk, 1985);
  • Meerssen (kerk van het H. Sacrament, 1938);
  • Oirschot (St. Petruskerk, 2013);
  • Oldenzaal (St. Plechelmuskerk, 1950);
  • Oosterhout (St. Jankerk, 1977);
  • Oudenbosch (kerk HH. Agatha en Barbara, 1912);
  • Raalte (kerk H. Kruisverheffing, 1992);
  • Schiedam (St. Liduinakerk, 1990);
  • Sittard (O.L.V.-kerk, 1883);
  • Sint-Odiliënberg (kerk HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus, 1957);
  • Susteren (St. Amelbergakerk, 2007);
  • Tubbergen (St. Pancratiuskerk, 2000);
  • IJsselstein (St. Nicolaaskerk, 1972);
  • Zwolle (O.L.V.-kerk, 1999).