Gerard Brom (Utrecht, 17 april 1882 - Wychen, 30 november 1959) was een Nederlandse letterkundige en hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. In de geschiedenis van de katholieke herleving in Nederland neemt hij een bijzondere plaats in. Niet de politieke actie en uitbouw van het organisatiewezen en niet het ‘Rijke Roomse Leven’ of het triomfalisme stonden bij hem voorop, maar het wegwerken van de culturele en intellectuele achterstand van zijn geloofsgenoten.



Zoon van edelsmid


Gerard Bartel Brom was de zoon van Gerardus Bartholomeus Brom (1831-1882), oprichter van de Edelsmederij Brom in Utrecht. Dit bedrijf maakte edel- en siersmeedkunst in opdracht van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland, die sinds 1853 weer beschikte over een eigen bisschoppelijke hiërarchie en overal in het land nieuwe kerken liet bouwen. 

Vondel

Na zijn humaniora op het Bisschoppelijk College in Roermond liet Gerard Brom zich inschrijven aan de Rijksuniversiteit Utrecht als student in de medicijnen. Kort daarna stapte hij over op de studie letteren. In 1907 promoveerde hij cum laude op een dissertatie over de bekering van Joost van den Vondel tot het katholieke geloof.

Katholieke idealen

Toen de Nederlandse katholieken in de eerste decennia van de twintigste eeuw in actie kwamen om invloed uit te oefenen op politiek, samenleving en cultuur verkondigde Brom allerwegen de heilzame werking die van de katholieke idealen uitging. Naar een woord van zijn knapste leerling L.J. Rogier was “in die jaren Gerard Broms naam alleen al een manifest, een klaroenstoot.”

Afkeer triomfalisme

Brom verwachtte alles van een verdieping van het godsdienstig leven en van een verhoging van het culturele en wetenschappelijke peil van zijn geloofsgenoten. Van het spreekwoordelijke Rijke Roomse Leven had hij een grondige afkeer en politieke en andere organisatorische machtsvorming (‘verzuiling’) was in zijn ogen hoogstens een tijdelijk hulpmiddel.

Hoogleraar

Brom leverde zelf leverde talloze bijdragen aan het proces van katholieke herleving. Zo gaf hij tien jaar lang leiding aan het culturele maandblad De Beiaard (1916-1925), probeerde hij als secretaris van de Unie van Katholieke Studentenvereenigingen het godsdienstig en cultureel peil van de toekomstige leiders en kaderleden van de beweging wat op te vijzelen (1920-1923) en speelde hij een hoofdrol bij de oprichting van de Nijmeegse universiteit (1923). Daaraan werd hij zelf benoemd tot hoogleraar, eerst voor kunstgeschiedenis, later voor letterkunde (1923-1952).

Rekatholisering

Als hoogleraar werd hij bij de studenten befaamd – bij sommigen berucht – om wat zij noemden zijn ‘minnebriefjes’: vriendelijk gestelde briefkaartjes met aansporingen om op te schieten met scriptie of dissertatie. Want alleen met een omvangrijk en hoogwaardig intellectueel kader zou katholiek Nederland het hoge doel van een herkerstening en rekatholisering van de samenleving bereiken.

‘Katholieke Huizinga’

Als schrijver van tientallen boeken en honderden artikelen verwierf ‘de katholieke Huizinga’, zoals Brom wel werd genoemd, zich in en buiten eigen kring een grote naam. Ook zijn zeven pensioenjaren (1952-1959) stonden in het teken van studeren en schrijven. Naar een woord van Anton van Duinkerken publiceerde hij toen meer “dan anderen in een heel leven”. Maar het ene boek waarvoor hij in de loop van zijn leven duizenden aantekeningen had gemaakt en waarvan het thema hem bijzonder dierbaar was, bleef ongeschreven: een geschiedenis van de leek in de Kerk. Wilde de christelijke traditie kans maken in een moderne samenleving te overleven, dan zou dat vooral het werk van leken moeten zijn die dan ook in de kerkelijke verhoudingen eigen verantwoordelijkheid hadden te dragen. Dat was zijn diepste overtuiging.

Clerus

Brom had een broertje dood aan geestelijken die zich niet voor de volle honderd procent inzetten en zijn kritiek op hen stak hij niet onder stoelen of banken, zodat zijn protegee en bekeerlinge Helene Nolthenius hem ooit aanduidde als ‘patroon van de antiklerikalen’. Maar voor de sociale priester Alfons Ariëns, voortrekker van de arbeidersbeweging, liep hij over van bewondering. Jarenlang was hij de drijvende kracht achter de inspanningen om hem heiligverklaard te krijgen.

Antinationaalsocialist

Duizenden aan hem gerichte brieven in zijn bewaard gebleven archief, afkomstig van katholieken en niet-katholieken uit binnen- en buitenland, bewijzen hoe hij midden in het culturele leven van zijn tijd stond. Hij was een veelgevraagd spreker en liet zich bij talloze initiatieven betrekken. Zo speelde hij in de jaren dertig een rol in algemene en katholieke comités die zich in woord en geschrift de bestrijding van het nationaalsocialisme ten doel stelden. Hij werd er in 1940 om gearresteerd en in Arnhem zes weken gevangen gehouden en verhoord. Het belette hem niet nadien zijn medewerking aan een illegaal blad te geven.

‘Heidense wereld’

Broms utopie van een in katholieke geest gekerstende samenleving stond al tijdens zijn leven onder zware druk. “We leven in een heidense wereld en we moeten maar ons best doen als gelovigen te leven,” zo stortte hij eind jaren vijftig zijn hart eens uit tegenover zijn goede vriend Jan Nieuwenhuis. Sindsdien is de aard van de Nederlandse samenleving zo grondig veranderd dat nog maar weinigen weet hebben van de betekenis van de katholieke-herlevingsepisode uit de eerste helft van die eeuw en van de belangrijke rol die Gerard Brom daarin heeft gespeeld.



Auteur van dit lemma:

dr. Paul Luykx, schrijver van 
Heraut van de katholieke herleving (2015), de biografie van Gerard Brom.