Een cappa magna (‘grote kap’) is een lange mantel met sleep, die tot het Tweede Vaticaans Concilie vrij algemeen gedragen werd door (aarts)bisschoppen, kardinalen en andere prelaten.

Niet-liturgisch

De cappa magna is feitelijk een verlengde koorkap. De cappa werd uitsluitend gedragen in niet-liturgische situaties, en dan nog vooral bij bijzonder plechtige gelegenheden, zoals bepaalde processies. De kap zelf is in de winter afgezet met hermelijn, in de zomermaanden met zijde.

Sleep

In de loop der eeuwen werd de bijbehorende sleep steeds langer. In 1952 schreef paus Pius XII, met het motu proprio Valde solliciti, voor dat de slepen een nog maar een lengte mochten hebben van zeven en halve meter. Dat was een halvering van de tot dan toe toegestane lengte.

Kleur

(Aarts)bisschoppen droegen een cappa magna in de kleur paars, kardinalen droegen een rode kap. Tot 1952 was het gebruik dat ook kardinalen paars droegen in perioden dat paars de liturgische kleur was, zoals in de Advent of de Veertigdagentijd.

Caudatarius

Voor het dragen van de lange sleep hadden de meeste prelaten een geestelijke in dienst. Deze geestelijke werd caudatarius (naar het Latijnse cauda dat 'staart' betekent) genoemd. Prelaten mochten alleen binnen hun eigen bisdom gebruik maken van een caudatarius. Waren zij elders, bijvoorbeeld in Rome, dan trokken zij de sleep meestal achter zich aan over de grond.

Verdwenen

Het gebruik van de cappa magna is na het Tweede Vaticaans Concilie grotendeels in onbruik geraakt. In 1969 publiceerde paus Paulus VI een instructie over de kledingvoorschriften voor prelaten. Hierin werd een aantal kledingstukken, zoals de galero (de rode kardinaalshoed) afgeschaft. De cappa magna werd niet afgeschaft, maar mocht enkel nog buiten Rome gedragen worden en dan uitsluitend bij zeer plechtige gebeurtenissen. In de praktijk betekende dat, dat de cappa in de mottenballen verdween, hoewel een enkele hoge geestelijke er nog wel plezier in heeft de cappa magna te dragen.