Donatisme

Het donatisme ontstond in de 4e eeuw naar aanleiding van een bisschopswijding in Carthago. Een van de wijdende bisschoppen zou een afvallige zijn geweest. Volgens degenen die daaraan aanstoot namen kon een afvallige nooit geldig een sacrament toedienen. Zij kozen een eigen bisschop, die in 315 werd opgevolgd door Donatus. Naar hem is deze radicale stroming genoemd. De donatisten stichtten in de Romeinse provincie Numidië in Afrika een eigen kerk met een eigen hiërarchie. Hun macht en aanhang was groot. Zij zetten zich fel af tegen de katholieke kerk. De heilige Augustinus heeft succesvol de donatistische ketterij bestreden.

In 303 beval keizer Diocletianus dat de heilige boeken van het christendom ter vernietiging moesten worden overgedragen aan de burgerlijke autoriteiten en dat kerkelijk bezit moest worden geregistreerd. In een rituele handeling moesten christenen vervolgens hun trouw aan de keizer en de goden van het keizerrijk betonen. Uit angst voor de doodstraf gaven vele bisschoppen en gelovigen gehoor aan het bevel van de keizer. Deze lapsi werden na deze vervolging traditores genoemd: verkwanselaars. Voor christenen was omgang met hen streng verboden; wederopname in de kerk was pas mogelijk na een lang proces van boete.

Wijding van Caecilianus
Aan het einde van de vervolging in 305 brak een periode van verwarring aan, omdat onduidelijk was wie met de heidense magistraten had gecollaboreerd. Zo werd de bisschopswijding van Caecilianus – in 311 of 312 te Carthago tot nieuwe primaat van Afrika gekozen – door zeventig Numidische bisschoppen ongeldig verklaard. Zij verdachten namelijk Felix van Aptunga, één van de wijdende bisschoppen, ervan een traditor te zijn. Caecilianus kon aanblijven omdat keizer Constantijn I hem steunde. De Numidiërs bisschoppen kozen Majorinus echter tot primaat.

Synode in Rome en Arles
De aanhangers van Majorinus verzochten Constantijn zijn besluit te herzien en een onderzoek in te stellen. Zij stelden voor de kwestie voor te leggen aan de kerk van Gallië, omdat daar geen traditores waren. De keizer achtte zich niet competent in deze kwestie en vroeg paus Miltiades de zaak af te handelen. Deze organiseerde in 313 in het Lateraan een synode. Naast de paus zelf namen daaraan deel: drie Gallische, vijftien Italiaanse en twintig Afrikaanse bisschoppen. Een meerderheid sprak zich uit voor Caecilianus. Diens tegenstanders riepen opnieuw de hulp van Constantijn in. De keizer liet daarop de proconsul van Afrika een onderzoek instellen. Daaruit bleek dat Felix van Aptunga helemaal geen traditor was. Dat overtuigde de partij van Majorinus nog steeds niet. Constantijn besloot toen in 314 te Arles een synode van bisschoppen uit zijn hele rijk bijeen te roepen. Daar werd verklaard dat een wijding die door een traditor is toegediend, geldig is.

Donatus
Majorinus werd in 315 als primaat van Numidië opgevolgd door Donatus. Door de gerichtheid van Donatus op de regionale kerken zagen grote groepen Afrikanen de stroming die later zijn naam zou dragen, als alternatief voor de katholieke kerk in Numidië (het huidige Tunesië en een deel van Algerije). Hoewel het donatisme in wezen een religieuze stroming was, begrepen extremistische en gewapende benden het als een regionalistische beweging tegen de keizer van Rome. In hun strijd tegen hem vervreemdden zij goederen van de Romeins geachte katholieke kerk, folterden en liquideerden zij katholieke geestelijken en afvallige donatisten. Ook zelfmoordacties waren hun niet vreemd. De reactie van de keizerlijk commissaris Macarius was keihard. Met grof geweld probeerde hij de donatisten terug te doen keren naar de katholieke kerk. In deze tijd gingen de donatisten ondergronds en identificeerden zij zich met joodse en vooral christelijke martelaren.

Schisma definitief
Tijdens de regeerperiode van keizer Julianus de Afvallige (361-363) overheerste in Numidië de donatistische kerk. Die rust stelde Parmenianus, de donatistische bisschop van Carthago, de leer van zijn kerk te verklaren. Dat deed hij in zijn boek Adversus ecclesiam traditorum ('Tegen de kerk van de traditores', daarmee bedoelde hij de katholieke kerk'). Hoewel de katholieke bisschop Optatus van Mileve de rivaliserende bisschoppen opriep tot een dialoog, was de scheuring rond deze tijd wel definitief.

Keizerlijke wetten tegen donatisten
De katholieke strijd tegen de donatisten was tot 395 niet uitsluitend maar toch steeds getekend door de strijd van de donatisten tegen het keizerlijk gezag. Donatistische opstanden werden onderdrukt door keizer Honorius. Hierop zou het Negende Concilie van Carthago (404) en uiteindelijk een edict van eenheid (405) volgen. De wetten tegen ketters werden hierin op de donatisten van toepassing verklaard. Hun kerk werd ontbonden en civiel geweld was daarbij geoorloofd. Vanwege de politieke macht en invloed van de donatistische hiërarchie werden deze keizerlijke wetten in de periode van augustus 409 tot augustus 410 buiten werking gesteld.

Augustinus
De donatistische macht werd pas gebroken toen de juridische en theologische disputen op een driedaagse conferentie van 279 donatistische en 286 katholieke bisschoppen tijdens het Concilie van Carthago in 411 in het voordeel van de katholieken uitvielen. De heilige Augustinus, bisschop van Hippo, speelde daar een grote rol. Hij had er op briljante wijze aangetoond dat het donatisme niets anders dan een dwaalleer kon zijn. Na deze conferentie werden de keizerlijke maatregelen tegen de donatisten opgevoerd; op bijeenkomsten stond zelfs de doodstraf. Toch bleef het donatisme op het platteland invloed behouden, zelfs tot na de dood van Augustinus in 430. Pas met de verovering van Afrika door de Arabieren in de 7e eeuw stierf de donatistische kerk uit.

Ecclesiologie
Gedreven door een vijandigheid jegens het Romeins katholieke universalisme, baseerden de donatisten hun ecclesiologie (leer over de kerk) voornamelijk op de schriftcitaten waarmee Cyprianus en Tertullianus de christenen in de tijd van de vervolgingen bijeenhielden door hun enerzijds de wereldverachting, anderzijds het martelaarsschap als toegang tot de hemel voor te houden. De kerk was voor Tertullianus een hortus conclusus, fons signatus ('een besloten tuin en een verzegelde bron'): een exclusieve plaats omdat alleen daar de fontein der genade stroomt. Cyprianus formuleerde het minder poëtisch: extra ecclesiam nulla salus ('buiten de kerk geen heil').

Kerk der Martelaren
De donatisten zagen de christenen die in 304 te Carthago ter dood waren gebracht omdat ze de eed aan de keizer niet wensten af te leggen, voortkomen uit de Kerk der Martelaren, die vanaf Abel tot aan Herodes was vervolgd én die het ware Israël belichaamde. Reeds Mozes en de profeten hadden in die kerk de heilige wet geëerbiedigd. De donatistische bisschoppen ontleenden hun gezag aan de overtuiging dat zij erfgenamen waren van de Makkabeeën, die gemarteld waren omwille van hun trouw aan de heilige boeken.

Werkzaamheid sacramenten
In het verlengde daarvan ontwikkelde de donatisten een idee over heiligheid: de volmaaktheid van de bedienaar is bepalend voor de werkzaamheid van een sacrament. De geestelijke actie van Christus is daarbij niet te onderscheiden van de concrete actie van de bedienaar van de sacramenten. Is de bedienaar zondig, dan ontneemt hij het sacrament alle kracht en roept hij een antikerk in het leven. Nu had de heiligheid van de bedienaar geen ethisch maar een ecclesiologisch gehalte.

Zuiverheid
De donatisten geloofden dat hun kerk geheel zuiver was omdat zij één enkele misdaad niet had gepleegd: zij had de christelijke wet niet verkwanseld in tegenstelling tot de traditores ten tijde van keizer Diocletianus. Zoals gezegd, was rond 303 al onduidelijk wie nu precies met de keizer hadden gecollaboreerd. Toch verweet de donatistische gemeenschap ten tijde van Augustinus, honderd jaar later, de katholieken dat zij de zuiverheid van de kerk bezoedeld hadden. Op grond van haar identificatie met de martelaren en haar reinheidsbeginsel achtte zij zichzelf het ware Israël, de enige bezitter van de Geest.

Rituelen
De vraag hoe men 'zuiver' kon blijven, ging de donatistische bisschoppen steeds meer bezig houden. Zij ontwikkelden drie ideeën.

- Ten eerste beschouwden zij zichzelf als bron en bemiddelaars van de zuiverheid van het geloof en van het leven van hun gelovigen.

- Ten tweede ontwikkelden zij de gedachte dat de zuiverheid een eigenschap was, die aan de kerk als zodanig toekwam. Zoals in de klassiek Romeinse religie de relatie tussen de gemeenschap en de goden tot stand werd gebracht door rituelen, zo bleef de reinheid van de gemeenschap uitsluitend bewerkstelligd door het voltrekken van een reeks precies omschreven, vastomlijnde rituelen. Deze waren gebaseerd op de reinheidswetten uit het Oude Testament; het doorbreken van de ordening in deze riten betekende vervreemding van God.

- Ten derde intensiveerden de donatistische bisschoppen bij hun gelovigen de vrees hun reinheid te verliezen door de omgang met onreinen.

Christus handelt
Augustinus' weerzin tegen de donatisten heeft zonder meer te maken met een complex van factoren, maar minstens ook met hun onverschilligheid denken en handelen met elkaar in overeenstemming te brengen. Onaanvaardbaar is voor hem dat de werkzaamheid van een sacrament afhangt van de kwaliteiten van de bedienaar. Een mens kan slechts ontvankelijk worden voor de genade maar nooit op grond van zijn verdiensten of rituelen de werking ervan afdwingen. Het besef dat het Christus is die in de bediening van een sacrament handelend optreedt, om het even hoe zondig de bedienaar is, bevrijdt de mens ook van een valse hoop op eigen verdienste en zekerheid. Dit inzicht zou in de 13e eeuw door Thomas van Aquino verder worden uitgewerkt in het leerstuk van het Opus operatum.

Prof. dr. Paul van Geest
Hoogleraar Augustijnse Studies
aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg
en aan de de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit van Amsterdam.