Fra Angelico, 'Sint-Antonius Abt beproefd door een goudklomp' (ca. 1436).

Een eremiet is een persoon die om religieuze redenen een teruggetrokken bestaan leidt.

Het Nederlandse woord ‘eremiet’ komt van het Latijnse eremita, dat is afgeleid van het Griekse ρημίτης (erèmitès). Letterlijk betekenis het ‘een persoon die in de wildernis leeft’; ρημία (erèmia) = ‘een afgelegen plek’, ‘woestenij’, ‘wildernis’; van het bijvoeglijk naamwoord ρημος (erèmos) = ‘verlaten’, ‘onbewoond’, ‘leeg’; de herkomst van dit woord is onbekend. 

Synoniemen van ‘eremiet’ zijn: heremiet, anachoreet en kluizenaar.

In de vroege Kerk werd onderscheid gemaakt tussen eremieten die alleen leefden (anchoreten) en eremieten die in gemeenschappen leefden. Uit hun (h)ermitages of kluizen ontstonden later vaak religieuze ordes, kloosters of zelfs dorpen.

Het eremietenbestaan is de vroegste vorm van kloosterleven in de christelijke wereld. In de Regel van Benedictus (zesde eeuw) wordt de eremiet genoemd als een van de vier typen monniken: cenobieten, anachoreten, sarabaïeten, gyrovagen. 

Het eremietenbestaan ontstond als een nieuwe weg van radicale navolging van Jezus Christus nadat er in begin vierde eeuw in het Romeinse Rijk een einde aan de grote christenvervolgingen was gekomen. 

Het martelaarschap was in de eerste eeuwen de snelste weg naar de heiligheid. In de woestijn van Egypte kwam eind derde en begin vierde eeuw een nieuwe praxis op: in alle eenzaamheid en buiten de bebouwde wereld gehoor geven aan de oproep van Jezus: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden’ (Lucas 9,23.24). 

Eremieten stond in de verlatenheid echter geen leven van sereniteit te wachten, maar een hard bestaan van strijd tegen demonische machten. Net als Jezus, die zich voorafgaande aan zijn openbaar leven in de woestijn had teruggetrokken, werden eremieten door satan op de proef gesteld. De wapens waarmee zij streden waren gebed, vasten en versterving. 

De eerste bekende eremiet was de heilige Paulus van Thebe (ca. 228 – ca. 341). Kort vóór zijn dood werd hij opgezocht door een welgestelde jongeman die net als hij een teruggetrokken leven wilde leiden in de woestijn van Opper-Egypte. Hij zou de geschiedenis ingaan als Antonius de Grote (rond 250 – 356). Zijn roem was te danken aan bisschop Athanasius van Alexandrië (ca. 295 – 373), die zijn levensverhaal had opgetekend. Daardoor raakten velen geïnspireerd om zelf als eremiet te gaan leven. Later werd deze eerste generatie eremieten ‘Woestijnvaders’ genoemd.

Een van de beroemdste eremieten van de Latijnse Kerk is Hiëronymus van Stridon (ca. 345 – 420). Hij leefde in de woestijn van Chalcis, ten zuidoosten van Antiochië. Daar onderging hij vele geestelijke beproevingen. Naast zijn gebedsdiscipline legde hij zich toe op het leren van Grieks en Hebreeuws. In 379 ging hij naar Antiochië waar hij tot priester werd gewijd. Later vestigde hij zich in Bethlehem, waar hij een klooster stichtte en het grootste deel van zijn Latijnse Bijbelvertaling voltooide. 

In de middeleeuwen verwees de term ‘eremiet’ naar iedereen die een ascetisch religieus leven leidde, alleen of binnen een kleine, informele gemeenschap, ver weg van de steden. In de tiende eeuw schreef de Franse priester Grimlaïc een regel voor eremieten die in een gemeenschap leefden (Regula Solitariorum). Tegen de elfde eeuw erkende de Kerk het kluizenaarsleven als een legitieme en onafhankelijke weg naar verlossing. Vele eremieten in deze en de volgende eeuw werden als heiligen beschouwd. In de Lage Landen was de bekendste eremiet Gerlachus van Houthem (ca. 1120 – ca. 1165). 

Het eremietenbestaan genoot groot prestige, vooral onder de bevolking van Midden-Italië, waar de beboste bergen, grotten in de kalksteenformaties en steile heuvels talrijke geschikte locaties boden voor de beoefening ervan. Vanaf de elfde eeuw nam het aantal ermitages in het Apennijnengebergte, dat de grens vormt tussen Umbrië en de Marken en zich westwaarts uitstrekt tot in Toscane, sterk toe. Het betrof kluizen gegroepeerd rond een kloostercomplex, zoals Camaldoli en Fonte Avellana, alsook eenvoudige toevluchtsoorden voor geïsoleerde individuen die in grotten of hutten woonden, zoals in Monteluco bij Spoleto. In Apulië zorgden Byzantijnse invloeden ervoor dat tradities van extreme ascese in stand werden gehouden.

In het begin van de dertiende eeuw werd de term ook gebruikt als aanduiding voor mendicanten die het Evangelie verkondigden en in radicale eenvoud een gemeenschapsleven probeerden te vormen. Er waren verschillende gezagsgetrouwe eremietengroepen, zoals de Zanbonini; de Eremieten van de Heilige Drievuldigheid in Toscane, de Eremieten van Lombardije, de Wilhelmieten en de Brictini. Als bewijs voor hun orthodoxie en hun gezagsgetrouwheid stelden vele eremietengroepen zich vanaf 1216 steeds meer onder de autoriteit van de Romeinse Curie. Die gaf hun de opdracht een bestaande kloosterregel te kiezen. Omdat zij niet louter contemplatief maar ook een actief apostolisch leven wilden leiden, bleek de Regel van Augustinus de enige optie te zijn. Ook kozen ze voor een eigen kloostertenue: een zwart habijt met capuchon met brede lederen riem. Dit werd de Orde van de Eremieten van Sint-Augustinus, de latere Augustijnen. 

In de zestiende eeuw koos een groep Italiaanse minderbroeders voor het eremietenbestaan, omdat zij net als Sint-Franciscus van Assisi onder primitieve omstandigheden in de natuur wilden leven. Uit deze groep ontstond de Orde der Minderbroeders Kapucijnen. 

Jheronimus Bosch, Drieluik van Heilige Eremieten (ca. 1505).