Eucharistie: oorsprong

De eucharistie is niet te begrijpen zonder kennis te nemen van bepaalde passages uit de Bijbel. In het Nieuwe Testament staat dat Jezus de eucharistie heeft ingesteld. Dat deed hij tijdens het joodse paasmaal dat Hij vierde op de avond voor zijn lijden en sterven. De instelling van het joodse paasfeest staat beschreven in Exodus. Dit oudtestamentische boek verhaalt van de verlossing van het volk Israël uit de Egyptische slavernij en het verbond dat God bij die gelegenheid met Israël sloot. In de eucharistie wordt gevierd dat Christus de uiteindelijke verlosser is en dat Hij met zijn bloed een nieuw verbond heeft bekrachtigd.

Opbouw van dit artkel:

A. INLEIDING

B. OUDE TESTAMENT
1. Instelling paasfeest
2. Paaslam
3. Bloed aan de balk
4. Ongedesemd brood

- Geen tijd
- Symbool voor de slavernij
5. Manna
- Brood uit de hemel
- Jezus als hemels brood
6. Bloed van het verbond
- 'Dit is mijn bloed'
- Mozes besprenkelt het volk met bloed
- Nieuw Verbond

C. JOODSE TRADITIE
1. Pesach in Jezus' tijd
- Familie
- Tempel in Jeruzalem
2. Seder
- Vier bekers wijn
- Voorseder
- Paaslam
- Naseder
- Wezenlijke onderdelen
3. Essenen

D. NIEUWE TESTAMENT
1. Paulus
- Onenigheid
- Instellingsverhaal
- Onwaardig eten
- Beker der Zegening
- Communie
2. Marcus en Matteüs
3. Lucas
4. Johannes
- Voetwassing
- Broodwonder
- Brood uit de hemel
- 'Wie mijn vlees eet...'
5. Openbaring van Johannes

E. VROEGE KERK
1. Oerpraktijk
- Breken van het brood
- In huizen, niet in tempels
- Dag des Heren
2. Vroegchristelijke auteurs
- Sint Justinus
- Dankzegging
- Didache
- Sint Irenaeus
3. Kerkvaders
- Geestelijk voedsel
- Wat je ziet, is niet wat je krijgt
- Tot een lichaam verenigt
- Je bent wat je eet

A. INLEIDING

De viering van de eucharistie is al zo oud als het christendom zelf. De Katholieke Kerk leert dat het sacrament is ingesteld door Christus zelf. Dat deed hij tijdens het Laatste Avondmaal, aan de vooravond van zijn lijden en sterven. De Kerk herdenkt het Laatste Avondmaal in de Liturgie van Witte Donderdag. Ze brengt in herinnering hoe Jezus samen met zijn Twaalf Apostelen het paasmaal vierde. Tijdens deze viering nam Hij brood, sprak er de zegen over uit, brak het en gaf het aan zijn apostelen met de woorden: neemt en eet hiervan, dit is mijn Lichaam. Ook nam Hij een beker gevuld met wijn. Daarover zei Hij: dit is mijn bloed. Dat Jezus dit gedaan en gezegd heeft, is overgeleverd door de apostelen. Deze overlevering is terechtgekomen in het Nieuwe Testament en wel in de eerste brief van de apostel Paulus aan de christenen van Korinthe en de evangeliën van Marcus, Matteüs en Lucas. Wat deze teksten zeggen over de instelling van de eucharistie, kan niet begrepen worden zonder dat de oudtestamentische oorsprong ervan belicht is.

B. OUDE TESTAMENT

1. Instelling paasfeest
In het bijbelboek Exodus staan diverse verhalen die van groot belang zijn voor het begrip van de eucharistie. Allereerst is dat de instelling van het Paasfeest, als herdenking van de bevrijding van het volk Israël uit de Egyptische slavernij. Dit feest bevat drie belangrijke rituele elementen: het offeren van een gaaf en mannelijk lam; het bestrijken van de deurpost met het bloed van dat lam; en het eten van het vlees van het paaslam in combinatie met ongedesemd brood. Dat laatste was zelfs zo belangrijk dat Pesach later ook wel het feest van de Ongezuurde Broden werd genoemd. Godsdiensthistorici menen dat deze rituelen afkomstig zijn uit de culturen waar de Israëlieten oorspronkelijk deel van uit maakten. Zo is het offeren van dieren en het ritueel gebruik van bloed eigen aan een nomadische cultuur. Het feest van de Ongezuurde Broden was daarentegen afkomstig uit een landbouwcultuur: het was een lenteoogstfeest in Kanaän, het land waar de Israëlieten zich uiteindelijk vestigden. Exegeten zijn dan ook van mening dat Pesach en het feest van de Ongezuurde Broden oorspronkelijk twee feesten waren. Volgens de lijn van het bijbelverhaal zelf is dat echter niet zo. 

2. Paaslam
In hoofdstuk 12 van Exodus staat hoe God, voorafgaande aan de Uittocht, aan Mozes en Aäron voorschrijft hoe de Israëlieten het Paasfeest moeten vieren. 'Op de tiende van deze maand moet iedere familie een lam uitkiezen. (..) Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. U kunt er een schaap of een geit voor nemen. U moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering.' En even verder op: 'In dezelfde nacht moet het op het vuur gebraden vlees gegeten worden.' Het lam is zowel een offer aan God als voedsel voor de gemeenschap. Het ritueel heeft dus een verticale, respectievelijk horizontale dimensie. Zoals we zullen zien geldt hetzelfde voor de eucharistie.

3. Bloed aan de balk
In Exodus 12 staat verder dat God de Israëlieten beveelt in de paasnacht bloed van het geslachte lam te nemen en dat uit te strijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt. 'Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen en dieren slaan. Aan alle goden van Egypte zal ik het vonnis voltrekken. Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat u daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik aan u voorbijgaan. De vernietigende plaag zal u niet treffen als Ik Egypte tref' (Exodus 12: 12-13). Hier zien we dat bloed een onheilafwerende werking heeft. In oude nomadische culturen was bloed een ritueel middel tegen de bedreiging van kwade geesten. Bij de instelling van de eucharistie neemt Jezus een beker wijn en zegt: 'Dit is mijn bloed dat vergoten wordt tot vergeving van de zonden' (Matteüs 26:26). Deze uitspraak moet verstaan worden tegen de hiergenoemde achtergrond: het vergoten bloed van Jezus strekt tot heil.

4. Ongedesemd brood

Geen tijd
Tijdens het Laatste Avondmaal werd volgens Joods voorschrift ongedesemd brood gegeten. Desem is een natuurlijk rijsmiddel, bestaande uit een mengsel van warm water en bloem dat enkele dagen moet staan om tot zijn gistende werking te komen. In Exodus beveelt Mozes dat iedere generatie op het Paasfeest voortaan de Uittocht uit Egypte moet gedenken door het eten van ongedesemd brood. De reden daarvoor is deze: 'Van het deeg dat de Israëlieten uit Egypte hadden meegenomen, bakten ze ongedesemde broden. Doordat ze uit Egypte waren weggejaagd, was er geen tijd geweest om zuurdesem toe te voegen of voor andere proviand te zorgen' (Exodus 12: 39).

Symbool voor slavernij
Al in Exodus zelf krijgt desem een rituele betekenis. 'Eet zeven dagen lang ongedesemd brood, en verwijder meteen op de eerste dag alle zuurdesem uit jullie huizen; wie op een van die zeven dagen iets eet dat desem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël worden gestoten' (Exodus 12, 15-16). Desem is geworden tot een symbool van de slavernij. Gedesemd brood eten met Pasen betekent dan zoiets als de verwerping van de door God beloofde verlossing. Het brood dat Jezus tijdens het Laatste Avondmaal nam, was dus ongedesemd. In de westerse traditie van de eucharistie, wordt daarom ook ongedesemd brood gebruikt. In de meeste oosterse kerken gebruikt men wel gedesemd brood. De reden daarvoor is niet exact duidelijk. Sommige menen dat de oosterse kerken duidelijk wilden maken dat de rituele geboden van het Oude Verbond niet meer golden; het gebruik van gedesemd brood zou dan een demonstratie zijn van de gehoorzaamheid aan een nieuwe wet. Anderen menen dat desem, dat het brood doet rijzen, werd opgevat als symbool voor de Verrijzenis.

5. Manna

Brood uit de hemel
Het tweede verhaal in Exodus dat ons inzicht verschaft in de rijkdom van de eucharistische symboliek gaat over het zogeheten Manna, het brood uit de hemel. In hoofdstuk 16 staat: 'Op de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte bereikten ze de woestijn van Sin (..). Daar begon het volk zich opnieuw te beklagen. Tegen Mozes en Aäron zeiden ze: 'Had de Heer ons maar laten sterven in Egypte. Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gestuurd om ons te laten verhongeren. Daarop zei de Heer tot Mozes: Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen' (Exodus 16: 1-4).

Jezus als hemels brood
Verderop in Exodus laat God het inderdaad een vreemd soort voedsel regenen. Manna, zeiden de Israëlieten, wat ongeveer betekent 'Wat is dat?'.
De Israëlieten begrepen niet wat het was. Mozes zei tot hen: 'Dat is het brood dat de Heer u te eten geeft' (Exodus 16, 15).
In het Evangelie van Johannes grijpt Jezus terug op dit verhaal. 'Voorwaar Ik zeg u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; Hij geeft u het ware brood uit de hemel. Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld (..) Ik ben het brood dat leven geeft' (Johannes 6, 32-35). Deze passage maakt deel uit van de zogenoemde Broodrede, volgens exegeten een weerspiegeling van de eucharistische theologie van de Johanneïsche Oergemeente.

6. Bloed van het Verbond

'Dit is mijn bloed'
Dat bloed in Exodus tot heil strekt, bleek uit de passage over het paaslam. Maar verderop in Exodus staat een verhaal dat nog belangrijker is voor het verstaan van Jezus' woorden tijdens zijn afscheidsmaal op de avond voor zijn lijden en sterven. Want als Jezus over de beker wijn zegt 'drink er allen uit, want dit is mijn bloed van het verbond, voor velen vergoten tot vergeving van de zonden' (Matteüs 26, 27), dan ligt het voor de hand te veronderstellen dat Hij teruggrijpt op Exodus 24. Daar zien we hoe mensen met bloed het verbond met God bekrachtigen.

Mozes besprenkelt het volk met bloed
Nadat Mozes de Wet van God heeft ontvangen op de berg Sinaï, wordt het verbond dat God met het volk Israël heeft gesloten door de Israëlieten bekrachtigd door een ritueel. Toen gaf Mozes jonge Israëlieten de opdracht om stieren op te dragen als brand- en slachtoffers voor de HEER. Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, terwijl hij de andere helft uitgoot over het altaar. Toen nam hij het verbondsboek en las dit voor aan het volk. En zij verzekerden: 'Alles wat de HEER zegt zullen wij doen en ter harte nemen.' Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: 'Dit is het bloed van het verbond dat de HEER, op grond van al deze woorden, met u sluit'.' (Exodus 24: 5-8).

Nieuw Verbond
Als Jezus zegt: 'vergoten tot vergeving van de zonden', dan verwijst hij mogelijk naar een passage uit het bijbelse profetenboek Jeremia. De profeet Jeremia hamerde erop dat trouw aan Gods Wet moet blijken uit daden van rechtvaardigheid en niet louter uit het volbrengen van rituele voorschriften.
'Er komen dagen - godsspraak van de HEER - dat Ik met Israël en Juda een nieuw verbond sluit, geen verbond dat Ik met hun voorvaderen gesloten heb, toen ik hen uit Egypte leidde. Want dit verbond hebben zij verbroken (..). Dit is het nieuwe verbond dat ik in de toekomst sluit (..): Ik schrijf mijn Wet in hun binnenste. (..) Ik vergeef hun misstappen. Ik denk niet meer aan hun zonden' (Jeremia 31:31.32). Deze profetie is volgens de evangelisten vervuld door Jezus, die het Nieuwe Verbond bekrachtigde met zijn bloed.

C. JOODSE TRADITIE

1. Pesach in Jezus' tijd

Familie
In het jaar 70 na Christus werd de Joodse tempel in Jeruzalem verwoest. Voordien werden daar met Pesach de paaslammeren geslacht en aan God geofferd. Dat gebeurde 's middags. Het lamsvlees werd vervolgens door de joodse families in Jeruzalem mee naar huis genomen; pelgrims namen het mee naar hun logeeradres of een ander onderkomen. 's Avonds werd het in familieverband, onder voorzitterschap van het familiehoofd, de pater familias, gegeten bij de paasmaaltijd, de zogeheten Seder. Ook Jezus heeft zo jaarlijks Pesach gevierd. Volgens de evangeliën at Hij zijn laatste seder echter niet met zijn familie, maar met zijn twaalf discipelen. Dat zegt iets over de betekenis die Jezus gaf aan dit gezelschap. Hij beschouwde zijn leerlingen als leden van één gezin en Zichzelf als de pater familias, het familiehoofd. Het getal twaalf doet denken aan de twaalf zonen van Jacob, uit wie de twaalf stammen van Israël ontstonden.

Tempel in Jeruzalem
In het jaar 70 geraakte de joodse godsdienst in een ernstige crisis. Het hart van Israël, de Tempel, was verwoest en veel joden verlieten Judea en vestigden zich elders in het Romeinse Rijk. Uit de groep van de Farizeeën ontstond de beweging van de rabbijnen. Na het wegvallen van het liturgische centrum in Jeruzalem voelden zij zich genoodzaakt de joodse eredienst opnieuw te doordenken en tot een nieuwe liturgische orde te komen. Ondanks hun toevoegingen is het toch mogelijk om op basis van de hedendaagse Pesachliturgie tot een reconstructie van de seder ten tijde van Jezus te komen.

2. Seder

Vier bekers wijn
Seder is Hebreeuws voor 'orde'. Het Pesachmaal geschiedt namelijk volgens een bepaalde volgorde. Die wordt bepaald door vier bekers wijn. Iedere beker heeft een rituele betekenis. Wijn verwijst naar de vreugde die de gelovige zal ervaren als het uiteindelijke rijk van de Messias een feit is. In heel het Oude Testament worden de vruchten van de wijnstok gezien als een bijzonder geschenk van God, omdat wijn volgens Psalm 104 'de harten van de mensen verblijdt'.

Voorseder
De eerste is de beker van de heiliging. Voordat uit deze gedronken wordt vindt een rituele handwassing plaats. Dan volgt de zegening van de beker door de voorzitter van de bijeenkomst. Ondertussen neemt men bittere kruiden ter herinnering aan de bittere slavernij in Egypte. Daarna worden de ongedesemde broden op een schotel geplaatst en wordt het verhaal van de Uittocht verteld. Dan wordt de tweede beker geheven onder het uitspreken van een zegengebed. Na het zingen van lofpsalmen (Hallel), een handwassing en het eten van ongedesemd brood en kruiden, wordt de zogeheten voor-seder afgesloten.

Paaslam
Dan volgt de hoofdmaaltijd, de eigenlijke seder, waarbij eertijds het paaslam werd gegeten. Tegenwoordig nuttigt men de zeroa, een stuk lamsschenkel als symbool van het paaslam. Sommige gemeenschappen gebruiken ook wel een kippennek. Joodse vegetariërs gebruiken vaak rode bieten als zeroa, omdat de rode bietenkleur dan kan verwijzen naar het bloed van het geslachte paaslam.

Na-seder
Na de maaltijd volgt de slotritus. Het belangrijkste element daarin is de zegening en het drinken van de derde beker, de zogenoemde Beker der Zegening (Hebreeuws: Birkat-ha-mazon). Tijdens het gebed wordt God onder meer gedankt voor het verbond dat hij met Israël gesloten heeft. Hierna verwijst de voorzitter naar de wederkomst van de Profeet Elia als voorbode van de Messias. Na de zegening en het uitdrinken van de vierde beker worden weer lofpsalmen gezongen, waarna het pesachmaal eindigt. De serie lofpsalmen waarvan ook in de voorseder sprake is, wordt Hallel genoemd. Het betreffen de psalmen 113 tot en met 118.

Wezenlijke onderdelen
Hier volgt een opsomming van de wezenlijke kenmerken van het joodse paasmaal. Zoals we nog zullen zien, zijn dat ook de wezenskenmerken van de eucharistie.
- God wordt geprezen en gedankt
- Gods grote daden worden in herinnering gebracht
- De vierende gemeenschap cultiveert zichzelf als Gods volk.
- Er wordt hoopvol uitgezien naar de komst van de Messias

3. Essenen

Sinds de ontdekking van de Dode-Zeerollen bij Qumran tussen 1947 en 1956 zijn er theorieën ontwikkeld over de invloed van de Essenen op Jezus en zijn volgelingen. De Essenen vormden een joodse groepering met een eigen kijk op Gods belofte aan Israël, rituele reinheid, de komst van de Messias en de eindtijd. Ze hadden een eigen liturgie, omdat ze de offercultus in Jeruzalem verfoeiden. Volgens een theorie gaat de vorm van de vroegchristelijke eucharistie terug op de Esseense gemeenschapsmaaltijd. Kenmerkend voor de rituele maaltijden van de Essenen was dat zij eerst het brood zegenden en daarna de wijn. Terwijl bij het sabbatsmaal of het pesachmaal van het doorsnee jodendom eerst de beker werd genomen en daarna het brood.

D. NIEUWE TESTAMENT

1. Paulus

Onenigheid
Over het algemeen wordt aangenomen dat de oudste christelijke tekst over de eucharistie te vinden is in de Eerste Brief van Paulus aan de Christenen van Korinthe. Daarin beschuldigt de apostel de Korinthiërs van onenigheid en wangedrag bij de eucharistie. 'Zoals u nu samenkomt, kan er geen sprake zijn van de maaltijd van de Heer. Want iedereen gebruikt bij het eten vlug zijn eigen maal, met als gevolg dat sommigen honger lijden en anderen dronken zijn' (1. Kortinthiërs, 11:21-22).

Instellingsverhaal
Om hen nogmaals op het hart te drukken dat de eucharistie een heilige bijeenkomst is, schrijft Paulus vervolgens aan de Korinthiërs: Zelf heb ik van de Heer de overlevering ontvangen die ik u op mijn beurt heb doorgegeven: dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, het dankgebed sprak, het brood in stukken brak en zei: 'Dit is mijn lichaam; het is voor jullie. Blijf dit doen om Mij te gedenken.' Na de maaltijd zei Hij zo ook van de beker: 'Deze beker is het nieuwe verbond door mijn bloed. Blijf dit doen om Mij te gedenken, telkens wanneer u eruit drinkt' (1. Kortinthiërs, 11: 23-25). Dit is het eerste zogenoemde instellingsverhaal, een bijna formule-achtige tekst over de instelling van de eucharistie, dat we in andere versies ook aantreffen in de evangeliën van Marcus, Matteüs en Lucas.

Onwaardig eten
Paulus vervolgt met een vermaning. 'Telkens als u dus dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer totdat Hij komt. Wie dan op onwaardige wijze het brood eet of uit de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het lichaam en het bloed van de Heer. Iedereen moet zichzelf onderzoeken alvorens van het brood te eten en uit de beker te drinken. Wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis' (1. Kortinthiërs, 11:27.28) 

Beker der Zegening
Eerder in de eerste Korinthiërsbrief wordt een restant uit de sederliturgie aangehaald: de al eerder besproken Beker der Zegening. 'De beker der zegening die wij zegenen geeft gemeenschap met het bloed van Christus' (1. Kortinthiërs, 10:16). Dit herinnert aan de derde beker van het pesachmaal. Hieruit zou men kunnen afleiden dat Jezus die beker genomen heeft toen Hij zei: dit is mijn bloed.

Communie
Meteen na bovenstaande tekst staat: 'En het brood dat wij breken geeft ons gemeenschap met het lichaam van Christus. Omdat het één brood is, vormen wij tezamen één lichaam, want allemaal hebben wij deel aan het ene brood' (1. Kortinthiërs, 10:16.17) Hier is het Griekse woord koinoonia gebruikt; het betekent 'gemeenschap' en is in het Latijn met communio vertaald. Wie van het eucharistisch brood eet, heeft communie met Jezus en vormt met de andere gelovigen één gemeenschap (communio).

2. Marcus en Matteüs
Het instellingsverhaal vinden we zoals gezegd ook terug in de evangeliën van Marcus, Matteüs en Lucas, ook wel aangeduid als de Synoptici. Volgens exegeten is de versie van Marcus de bron van Matteüs. Hieronder de versie van Marcus:
Tijdens de maaltijd nam Hij een brood, sprak de zegenbede uit, brak het brood, gaf het hun en zei: 'Neem het, dit is mijn lichaam.' Ook nam Hij een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun die beker; ze dronken er allen uit. En Hij zei hun: 'Dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten. Ik verzeker jullie, Ik zal niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot de dag waarop Ik de nieuwe oogst zal drinken in het koninkrijk van God.' Na het zingen van de lofpsalmen gingen ze de stad uit, naar de Olijfberg (Marcus 14: 22-26).

3. Lucas
In tegenstelling tot Marcus en Matteüs is er bij Lucas' versie van het instellingsverhaal sprake van twee bekers:
Toen het uur gekomen was, ging Hij met de apostelen aan tafel. Hij zei tegen hen: 'Vurig heb Ik ernaar verlangd om dit paasmaal met jullie te eten vóór mijn lijden. Want Ik zeg jullie dat Ik het niet meer zal eten tot de vervulling ervan in het koninkrijk van God.' Hij nam een beker, sprak het dankgebed en zei: 'Neem deze beker en laat hem rondgaan; want Ik zeg jullie dat Ik van nu af aan niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok totdat het koninkrijk van God gekomen is.' Hij nam een brood, sprak het dankgebed, brak het brood in stukken en gaf het hun, en zei: 'Dit is mijn lichaam; het wordt voor jullie gegeven. Blijf dit doen om Mij te gedenken.' Na de maaltijd zei Hij zo ook van de beker: 'Deze beker is het nieuwe verbond door mijn bloed; hij wordt voor jullie leeggegoten.' (Lucas 22:14-22).
Lucas houdt de traditionele joodse volgorde aan. Eerst de beker van de voor-seder, dan het brood, en vervolgens een van de bekers van de na-seder, waarschijnlijk de Beker der Zegening. Deze noemt Jezus de beker van het nieuwe verbond.

4. Johannes

Voetwassing
In tegenstelling tot de synoptici ontbreekt het instellingsverhaal in het Evangelie van Johannes. Opmerkelijk is dat daar niet over het pesachmaal gesproken wordt, maar over 'een maaltijd', die Jezus kort vóor Pasen met zijn leerlingen hield. In de context van het Laatste Avondmaal stelt Johannes niet het nemen van brood en wijn centraal, maar de voetwassing. Jezus wast de apostelen de voeten, als teken van liefde en dienstbaarheid. 'Als Ik, jullie Heer en meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen. Ik heb jullie het voorbeeld gegeven: je moet doen zoals Ik voor jullie heb gedaan' (Johannes 13:14.15).

Broodwonder
Het zesde hoofdstuk van het Johannes-evangelie is volgens kerkelijke commentatoren wezenlijk voor het verstaan van het mysterie van de eucharistie. Exegeten menen dat deze tekst geen historische weergave van Jezus' handelingen is, maar een weerspiegeling van de eucharistische theologie van de Johanneïsche oergemeente. In dit hoofdstuk staat het beroemde verhaal van de Wonderbaarlijke Broodvermenigvuldiging en de zogenoemde Broodrede van Jezus. Daags nadat een grote menigte op wonderbare wijze door Jezus is gespijzigd, is dezelfde menigte naar Hem op zoek. Jezus spreekt hen toe: 'Waarachtig, Ik verzeker u: u zoekt Mij niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u volop hebt kunnen eten. U moet niet zoveel werk maken van vergankelijk voedsel, maar liever van het voedsel dat blijft, het voedsel van het eeuwig leven, dat de Mensenzoon u zal geven' (Johannes 6:26.27).

Brood uit de hemel
Het verhaal vervolgt aldus: de menigte ondervraagt Jezus en verlangt van Hem te horen, hoe de wil van God volbracht moet worden. Jezus antwoordt dat de mensen moeten geloven in Hem. Daarop verlangen zij een wonderteken, zoals het manna in de woestijn na de Uittocht. Jezus antwoordt dat Hijzelf het teken is, het ware brood uit de hemel: 'Ik ben het brood om van te leven. Uw voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten, en toch zijn ze gestorven. Zo is het niet met het brood dat uit de hemel neerdaalt: wie daarvan eet zal niet sterven. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald. Als men van dát brood eet, zal men leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, voor het leven van de wereld' (Johannes 6:48-51).

'Wie mijn vlees eet ..'
Het vervolg van Johannes' verhaal speelt een belangrijke rol in de katholieke doctrine over de eucharistie, vooral wat betreft de relatie tussen brood en wijn enerzijds en Lichaam en Bloed van Christus anderzijds. Toen ontstond er onder de Joden een discussie: 'Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?' Daarop hernam Jezus: 'Waarachtig, Ik verzeker u: als u het vlees van de Mensenzoon niet eet, als u zijn bloed niet drinkt, is er geen leven in u. Maar wie mijn vlees en bloed eet en drinkt, die bezit eeuwig leven: op de laatste dag laat Ik hem opstaan, want mijn vlees is echt voedsel, mijn bloed is echte drank' (Johannes 6:52-55).

5. Openbaring van Johannes
De eucharistie is niet alleen een gedachtenis aan Jezus, maar ook een vooruitwijzing naar de Messiaanse toekomst. Jezus is de Messias, die aan het einde der tijden de mensheid zal oordelen. Het laatste boek van de Bijbel, de Openbaring van Johannes, gaat daar over. Jezus wordt in dit boek voorgesteld als het geslachte Lam Gods, maar ook als Bruidegom. Als het Rijk Gods definitief is doorgebroken, wordt de Kerk als een bruid tot de ene Bruidegom gevoerd. De ziener Johannes zegt: En de engel zei tegen mij: 'Schrijf op: Gelukkig zijn zij die uitgenodigd zijn voor het bruiloftsmaal van het Lam'. (Openbaring 19:9). In de eucharistie reciteert de priester deze tekst vlak voor de communie. Daarmee wordt aangeduid dat deelname aan de eucharistie een voorafspiegeling is van de eindtijdelijke maaltijd. 

E. VROEGE KERK

1. Oerpraktijk

Breken van het brood
De oerpraktijk van de eucharistie is niet gebaseerd op het Nieuwe Testament. Er waren immers eerder christelijke gemeenschappen dan christelijke geschriften. In de Handelingen der Apostelen wordt een enigszins geïdealiseerd beeld geschetst van de oergemeente van Jeruzalem. Ze wijdden zich trouw aan de leer van de apostelen, aan de onderlinge gemeenschappen, het breken van het brood en het gebed (Handelingen 2:42). Over het algemeen wordt aangenomen, dat 'het breken van het brood' de oudste aanduiding is voor de eucharistie. Maar welke vorm deze samenkomst had, is onbekend.

Maaltijd
De viering van de maaltijd des Heren is dus ouder dan de bijbelse bronnen over de eucharistie. Wat we wel van de oervorm van de eucharistie weten is dat het plaats vond in de context van een echte maaltijd. Zo schrijft Paulus aan de christenen van Korinthe dat het heilig gedeelte van de gezamenlijke maaltijd in het gedrang dreigt te komen als men er alleen maar bezig is de eigen honger te stillen. Broeders en zusters, wanneer u samenkomt voor de maaltijd, wacht op elkaar. Als iemand honger heeft, moet hij thuis maar eten; anders leidt uw bijeenkomst tot uw veroordeling (1. Korinthiërs 11:33.34).

In huizen, niet in tempels
De eerste christenen kwamen samen 'in een of ander huis'. Dat staat bijvoorbeeld in de Brief aan de Kolossenzen en Brief aan Filemon. De oude gemeenten vierden dus de eucharistie niet in een afzonderlijk gebouw zoals een tempel of synagoge. Een tempel was immers de woning van een godheid en niet voor godenvereerders; een synagoge was meer een leerhuis, waar het geopenbaarde woord van God centraal stond. De christelijke gemeenschap beschouwt zichzelf al vroeg als een geestelijke tempel van God. En waar de gedoopten in Christus' naam bijeenkomen, daar is Hij zelf aanwezig, zo is hun overtuiging.

Dag des Heren
Opmerkelijk is dat de heilige samenkomst van de christenen niet op de sabbat, de zevende dag van de joodse week, plaatsvond, maar op de eerste dag van de week. Die werd op een gegeven moment 'Dag des Heren' genoemd. Christus de Heer was immers op de eerste dag na een sabbat verrezen. Dag des Heren is in het Latijn: Dies Domenica, waar het Italiaanse domenica en het Franse dimanche van is afgeleid; met beide woorden wordt de Zondag bedoeld.

2. Vroegchristelijke auteurs

Sint Justinus
Eén van de oudste postbijbelse bronnen over de manier waarop de eerste christenen de eucharistie vierden, is de Apologia van Sint Justinus. Deze christelijke wijsgeer schreef rond 155 een brief aan de heidense keizer Antoninus Pius (138-161). Daarin verdedigt hij het christelijk geloof tegen aantijgingen van onder meer achterlijkheid en kannibalisme. De laatste aantijging kwam voort uit het misverstand over het eten en drinken van Christus' lichaam en bloed. Justinus vertelt de keizer wat christenen eigenlijk doen als ze op zondag bijeenkomen. Hij vertelt dat ze gezamenlijk luisteren naar de 'gedenkschriften van de apostelen of de profeten' en dat ze nadien bidden. Justinus vervolgt: Nadat het gebed beëindigd is, groeten wij elkaar met een kus. Dan wordt aan de celebrant brood en een beker water en wijn gebracht. Nadat hij deze ontvangen heeft, brengt hij lof en eer aan de Vader van het al door de naam van de Zoon en de heilige Geest en hij spreekt een lange dankzegging uit voor hetgeen wij van Hem mochten ontvangen. Wanneer hij de gebeden en dankzegging heeft beëindigd, zegt heel het aanwezige volk: Amen. (Katechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1345).

Dankzegging
Uit bovenstaande tekst is veel af te leiden. Hier zien we dat in dit verband het woord eucharistie wordt gebruikt. Echter niet als aanduiding van de christelijke zondagsbijeenkomst, maar van een onderdeel van het ritueel. Eucharistia betekent immers letterlijk 'dankzegging'. Dat zegt iets over het wezen van de maaltijd des Heren: het is een dankdienst. Verder wordt duidelijk dat er sprake is van een celebrant. Hij gaat namens de deelnemers voor door zijn lof- en dankgebed. Dat doet hij nadat hem brood en een beker water en wijn zijn overhandigd.

Didachè
De Didachè is een belangrijk document van de oerkerk. Volgens de meeste kerkhistorici zou het vóór 150 geschreven zijn. We treffen er een oerversie aan van een eucharistisch tafelgebed gericht aan God de Vader. De auteur geeft instructies hoe te bidden. Opvallend is dat eerst de beker genomen wordt en pas daarna het brood. Dan formuleert hij een voorwaarde tot deelneming aan dit maal. 'Laat niemand eten of drinken van uw dankzegging [eucharistia] behalve hen die in de naam van de Heer gedoopt zijn. Want de Heer heeft gezegd: 'Geef het heilige niet aan de honden' (9:5).

Sint Irenaeus
Bisschop Irenaeus van Lyon (ca. 140 - ca. 202) geeft in zijn boek Adversus Haereses een uitgebreide theologische beschouwing over de eucharistie. Brood en wijn, vruchten van Gods schepping, worden door het Woord van God het Lichaam en Bloed van Christ