Eucharistische aanbidding is een gebedsvorm binnen de Katholieke Kerk waarbij het Allerheiligste wordt aanbeden. Vaak gebeurt dat geknield voor een Hostie in een monstrans op een altaar.

Vorm

Bij de eucharistische aanbidding wordt vaak een geconsacreerde ouwel in een monstrans op het altaar uitgesteld. De monstrans wordt daarbij doorgaans geflankeerd door brandende kaarsen.

Hymnen

Tijdens een lofdienst waarbij het Allerheiligste Sacrament ter aanbidding op het altaar is uitgesteld kunnen hymnen gezongen worden als de aan Thomas van Aquino toegeschreven hymnen Tantum Ergo ([Laten wij] dus zo'), Adoro te devote ('ik aanbid U met eerbied') of Panis Angelicus ('Brood der Engelen'). Ook het Ave Verum Corpus ('Gegroet waarachtig Lichaam') kan tijdens de plechtigheid worden gezongen.

In stilte

Er kan ook sprake zijn van stille aanbidding. Bepaalde contemplatieve kloosterorden kennen de 'altijddurende aanbidding', waarbij het Allerheiligste in 'ploegendiensten' voortdurend wordt aanbeden.

Vroege geschiedenis

De praktijk om buiten het kader van de viering van de eucharistie is het Allerheiligste Sacrament te aanbidden, schijnt al sinds het vroege christendom te bestaan. Justinus de Martelaar (100-165) maakt er al melding van, evenals Tertullianus (165-225). De heilige abt Basilius de Grote († 379) maakte er een gewoonte van om het geconsacreerde brood in drieën te breken. Een deel at hij zelf, een ander deel gaf hij aan de monniken terwijl hij een derde deel ter aanbidding plaatste in een gouden duivenbeeld dat boven het altaar hing.

Middeleeuwen

De traditie van de eucharistische aanbidding zou in Italië begonnen zijn met de heilige Franciscus van Assisi (1181-1222). Volgens de heilige Bonaventura raakte Franciscus zelfs dikwijls in extase bij het aanschouwen van het Allerheiligste. Vanaf de 13e eeuw verspreidde het gebruik van de eucharistische aanbidding zich over Europa. Een ware impuls kreeg de aanbidding na de overwinning van Lodewijk VIII op de Katharen in 1226. In Avignon werd het Allerheiligste uit dankbaarheid uitgesteld. Het aantal pelgrims dat daarop afkwam, was zo groot dat besloten werd de uitstelling permanent te maken. De monstrans was in de kathedraal te zien totdat de Franse Revolutie er een einde aan maakte.

Sacramentsdag

Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de aanbidding van het Allerheiligste is de instelling van Sacramentsdag. Deze gaat terug op de visioenen van de Luikse augustines Juliana van het klooster Mont Cornillon. Vanaf 1209 had deze non mystieke ervaringen. Zij beweerde dat Christus aan haar verschenen was en haar had opgedragen zich in te spannen voor de instelling van Sacramentsdag. De bisschop van Luik geloofde haar en stelde in 1248 dit feest in zijn bisdom in. Een van de aartsdiakens van het bisdom Luik was de latere paus Urbanus IV. Hij was het die op 11 augustus 1264 middels de pauselijke bul Transiturus de hoc mundo beval dat Corpus Christi, zoals het feest toen heette, in de gehele Kerk gevierd moest worden.

Concilie van Trente

Het dogma van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het sacrament van de Eucharistie was aanleiding voor een van de meest uitgesproken conflicten in de tijd van de Reformatie. Tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) werd de Realis Presentia ('werkelijke tegenwoordigheid') opnieuw bevestigd en werd een theologische basis gelegd onder de bestaande praktijk van de eucharistische aanbidding. Ook werden tijdens dit concilie regels vastgesteld met betrekking tot eucharistische processies. Betekenisvol voor de praktijk van de altijddurende aanbidding was de stichting van de Benedictinessen van Altijddurende Aanbidding van het Allerheiligste Sacrament in 1653. In Nederland kent die gemeenschap nog steeds zes conventen. 

Vanaf 19e eeuw

Vanaf de 19e eeuw nam de belangstelling voor de Uitstelling van het Allerheiligste alleen maar toe. Onder invloed van later heiligverklaarden als Johannes Vianney (de pastoor van Ars) en Petrus Julianus Eymard, stichter van de Congregatie van het Allerheiligst Sacrament (ook wel Sacramentijnen genoemd), werd de aanbidding van het Allerheiligste een steeds breder verspreid devotioneel gebruik. In 1890 stichtte de heilige Arnold Janssen te Steyl de Congregatie van de Dienaressen van de Heilige Geest van de Altijddurende Aanbidding.

Eucharistisch Congres

In 1881 werd voor het eerst een Internationaal Eucharistisch Congres georganiseerd. Dat was een internationale bijeenkomst van geestelijken en leken, die geheel in het teken stond van de eucharistische aanbidding. Aanvankelijk werden deze bijeenkomsten elk jaar, later om het jaar en tegenwoordig om de vier jaar gehouden, steeds in een andere stad. Het Internationaal Eucharistisch Congres dat in 1924 in Amsterdam plaatsvond, geldt als een hoogtepunt uit het Rijke Roomse Leven.

Tegenwoordige tijd

Versscheidene pausen hebben zich in positieve zin uitgelaten over de eucharistische aanbidding. In zijn encycliek Mysterium Fidei (uit 1965) riep paus Paulus VI de bisschoppen op “woorden noch moeite te sparen om de aanbidding van de Eucharistie te bevorderen”. Paus Johannes Paulus II zei iets soortgelijks in diens encycliek Ecclesia de Eucharistia (uit 2003): “De aanbidding van de Eucharistie buiten de Mis is van onschatbare waarde voor het leven van de Kerk. Deze aanbidding is nauw verbonden met de viering van het eucharistische offer. De tegenwoordigheid van Christus onder de heilige gedaanten die na de Mis bewaard worden - aanwezigheid die zolang voortduurt als de gedaanten van brood en wijn intact zijn - komt voort uit de viering van het offer en is gericht op de sacramentele zowel als de geestelijke communie. Het is de taak van de Herders ook met hun persoonlijke getuigenis ertoe aan te moedigen om de eucharistische aanbidding, in het bijzonder de uitstelling van het Allerheiligste Sacrament, alsook de aanbidding voor Christus aanwezig onder de eucharistische gedaanten, te koesteren.”