Grote Schisma

Het Grote Schisma is de tragische kloof die bestaat tussen de Latijnse (katholieke) en de Byzantijnse (orthodoxe) Kerk. Officieel dateert deze kerkscheuring van 1054, maar ze bestond eigenlijk al veel langer. In 1965 werd de eeuwenoude vijandigheid door paus Paulus VI en patriarch Athenagoras I van Constantinopel min of meer opgeheven. Dat betekende echter niet dat de Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-Orthodoxe Kerken daardoor één werden. Hoewel de theologische geschillen nagenoeg zijn opgelost, bestaat er vooral bij de Oost-Europese orthodoxe patriarchaten nog steeds groot wantrouwen jegens de Katholieke Kerk. De positie van de paus blijkt nog altijd het grootste struikelblok te zijn.

Latijnen versus Grieken
Het Oosters Schisma of het Grieks Schisma is de westerse benaming voor de splitsing van de christenheid in een Latijnse Kerk en een Griekse Kerk. Beter is het te spreken van het Grote Schisma. Met Latijnse Kerk wordt bedoeld het geheel van kerkgemeenschappen in het gebied van Europa en Noord-Afrika dat ooit samenviel met het West-Romeinse Rijk (395-476) en waarvan Rome het centrum was. De Griekse of Byzantijnse Kerk is het geheel van kerken gelegen in het Oost-Romeinse Rijk (476-1453) met Constantinopel, het oude Byzantium, als centrum. Tegenwoordig spreekt men niet meer van de Latijnse Kerk en de Griekse Kerk, maar van respectievelijk de Katholieke Kerk en de Orthodoxe Kerken.

Zwaarste ramp
Door de eeuwen heen vochten de Latijnen en de Grieken geregeld conflicten met elkaar uit. Vaak leidde dat tot tijdelijke kerkscheuringen. Zo was de eenheid tussen de Kerk van Rome en die van Constantinopel in de periode 337-843 in totaal 232 jaar verbroken. De wederzijdse banvloeken werden na verloop van tijd steeds weer opgeheven. In het jaar 1054 kwam het tot een splitsing die eeuwen zou voortduren. Kerkhistoricus Jan de Jong, de latere aartsbisschop van Utrecht, noemde het Griekse Schisma ooit "na de afval van het protestantisme, de zwaarste ramp die de Katholieke Kerk getroffen heeft". In het onderstaande wordt de geschiedenis van het schisma kort geschetst.

Splitsing van het Rijk
Na de splitsing van het Romeinse Rijk in 395 in een westelijk en een oostelijk deel werden de verschillen tussen de Latijnse Kerk en de Griekse Kerk steeds groter. Die verschillen waren niet alleen liturgisch en theologisch van aard, maar hadden ook een politiek karakter. Kerk en staat waren zowel in Oost als West nauw met elkaar verbonden, al was er daarbij wel een groot verschil: in het Latijnse Westen werd de positie van de paus steeds belangrijker, terwijl in het Oost-Romeinse Rijk de keizer zich, in wat we nu cesaropapisme noemen, het hoogste gezag in de kerk aanmatigde. Toch speelde bij het Oosters Schisma van 1054 de Oost-Romeinse keizer opmerkelijk genoeg geen grote rol. Het was vooral de patriarch van Constantinopel, de primaat van de Griekse Kerken, die in het schisma een groot aandeel had.

Petrus en Andreas
In Constantinopel, het Nieuwe Rome, stond de zetel van de patriarch die beschouwd werd als opvolger van de apostel Andreas, de broer van Petrus. De paus in Rome werd gezien als opvolger van Petrus. Het was in Constantinopel gebruikelijk dat een nieuw gekozen patriarch zijn ambtsbroeder in Rome geloofsbrieven stuurde en zijn naam in de eucharistieviering vernoemde. Ook raadpleegden patriarchen in complexe theologische kwesties de paus. Daarmee erkenden de patriarchen van Constantinopel het primaatschap van de Bisschop van Rome. Dat verschillende pausen op basis van dit primaatschap een universele macht over de kerk meenden te kunnen opeisen, was de Grieken echter een doorn in het oog.

Militaire hulp met ongewenste gevolgen
De politieke aanleiding tot het grote schisma was, in de 11de eeuw, de kwestie van de heerschappij over zuid-Italië. De Noormannen hadden daar een aantal Byzantijnse gebiedsdelen weten te veroveren. Keizer Constantijn IX en Argyros, zijn plaatsbekleder in zuid-Italië, hadden de militaire hulp van de paus ingeroepen en gezamenlijk tegen de Noormannen te strijden. Patriarch Michael Kerullarios moest met lede ogen aanzien hoe de paus door de militaire alliantie zijn kerkelijke jurisdictie uitbreidde naar de Byzantijnse gebieden in zuid-Italië. De patriarch voelde zich in zijn gezag aangetast en nam tegenmaatregelen. In 1053 liet hij alle Latijnse kerken in Constantinopel sluiten en verdreef hij de monniken die de Byzantijnse Ritus niet wilden aannemen.

Theologische geschillen
Patriarch Michael Kerullarios dreef het conflict met de paus verder op de spits door theologische meningsverschillen met de Latijnen erbij te betrekken. Zo haalde hij de kwestie van het Filioquenaar boven. Ook veroordeelde hij het Latijnse gebruik om ongedesemd brood voor de Eucharistie te gebruiken en het in het Westen geldende priestercelibaat.

1054: banvloeken over en weer
De paus reageerde met het sturen van een delegatie naar Constantinopel. De pauselijke afgevaardigden waren kardinaal Humbert van Silva, zijn kanselier Frederik van Lotharingen en aartsbisschop Pietro van Amalfi. De keizer had zich bereid getoond met hen te onderhandelen, maar de patriarch weigerde met hen te spreken. De pauselijke delegatie ontstak daarop in woede en vaardigde een bul ter excommunicatie over de patriarch en zijn aanhangers uit. Op 16 juli 1054 begaven de gezanten zich naar de Hagia Sofia, de kathedraal van Constantinopel. Bij binnenkomst was het kerkvolk verenigd voor de goddelijke liturgie (eucharistie. Kardinaal Humbert legde de bul onder luid protest van clerus en volk op het altaar. Daarbij riep hij: 'Videat Deus et judicet' ('Moge God het zien en oordelen'). Patriarch Michael Kerullarios sprak op zijn beurt de banvloek over de paus uit.

Definitieve breuk
Het blijft een vraag of Humbert eigenlijk wel de pauselijke volmacht had tot het excommuniceren van de patriarch van Constantinopel. Feit is dat op het moment dat Humbert de excommunicatie uitvaardigde, hij onwetend was over het feit dat er sprake was van een sedisvacatio in Rome. Paus Leo was al drie maanden dood. Zijn opvolger Victor II werd pas op 13 april 1055 gekozen. Patriarch Michael Kerullarios kan dus onmogelijk de paus hebben geëxcommuniceerd, want er was op dat moment geen paus. Dit kon echter niet voorkomen dat de wederzijdse standpunten zich verhardden en de breuk definitief werd.

Verzoeningspogingen
Na de gebeurtenissen van 1054 probeerden vooral de pausen Alexander II (1061-1073) en Sint Gregorius VII (1073-1085) tot een herstel van de eenheid te komen. Geregeld stuurden zij gezanten naar Constantinopel om daar over voorwaarden te overleggen. Het leek er even op dat de Byzantijnse keizer Alexius Komnenos (1081-1118) een serieuze oplossing aandroeg. Oost en West zouden elkaar misschien op militair terrein kunnen hervinden en samen tegen de islamitische Turken ten strijde trekken. De paus ging akkoord en stuurde kruisvaarders naar Constantinopel, maar die brachten de stad meer onheil dan heil. De Oost-Romeinen beschouwden de Latijnen als barbaren die met bruusk geweld hun macht toonden. De westerlingen beschouwden op hun beurt de oosterse christenen als ketters. Niettemin toonden keizer Johannes Komnenos (1118-1143) en patriarch Leo Stypiolo (1134-1143) zich bereid om weer met de paus te onderhandelen. De onderhandelingen liepen op niets uit. Keizer Manuel Komnenos (1143-1180) dacht van de strijd die de paus met de westerse keizer Frederik Barbarossa voerde, te kunnen profiteren. Als de paus Manuel als keizer van heel Europa zou erkennen, dan zou de Kerk van Byzantium in ruil het pauselijk gezag aanvaarden. Al streefde de toen zittende paus Alexander III nog zo naar eenheid, hij ging op dit voorstel niet in.

Kruisvaarders vernederen de Byzantijnen
Een dieptepunt in de realtie tussen Oost en West werd bereikt in april 1204, toen kruisvaarders Constantinopel plunderden. De kruisvaarders waren tegen de Byzantijnen opgehitst door Venetianen, die er belang bij hadden hun concurrent Constantinopel duurzaam te verzwakken. Bij de plundering werden vele Byzantijnse kostbaarheden geroofd, vrouwen verkracht en kerken ontheiligd. Op 16 mei 1204 installeerden de kruisvaarders in de Hagia Sofia de Frankische graaf Boudewijn van Vlaanderen tot keizer. Vijftig jaar lang zou Byzantium het Latijns keizerrijk Romania zijn. De geestelijkheid van Constantinopel moest een eed van gehoorzaamheid aan de Latijnse Kerk afleggen. De Byzantijnen voelden zich vernederd en de afstand tussen Oost en West werd alleen maar groter.

Tweede Concilie van Lyon
Nadat keizer Michael VIII van het Huis Palaeologus in 1261 Constantinopel op de Latijnen had heroverd, knoopte hij, uit vrees voor een tweede plundering door kruisvaarders, onderhandelingen met Rome aan. Uiteindelijk leidden die ertoe dat paus Gregorius X een concilie bijeenriep. Tijdens het Tweede Concilie van Lyon van 1274 werd het schisma opgeheven op voorwaarde dat de Byzantijnen het Filioque en het Pauselijk Leergezag aanvaardden. Patriarch Jozef I van Constantinopel ging akkoord, echter tegen de wil van het merendeel van de clerus en het volk. Toen de keizer inzag dat hij er geen politiek voordeel meer uit kon halen, liet hij Rome blijken dat de hereniging onder druk van Latijnse manipulaties tot stand was gekomen. Daarop deed paus Martinus V keizer Michael VIII in de ban. Diens zoon, keizer Andronikos II Palaeologus, maakte het verdrag van Lyon in 1281 ongedaan. Het schisma was dus niet geheeld.

Hereniging van Ferrara-Florence
In 1353 leek de opmars van de Turken niet meer te stuiten. Hun legers hadden voet gezet op Europese bodem. Na de Slag van Kosovo verwierven ze de heerschappij over een groot deel van de Balkan. Alleen Constantinopel en omstreken waren nog in Byzantijnse handen. Dit noopte de keizer om wederom steun bij de paus te vragen. Weer werd er vergeefs onderhandeld over de hereniging van de Latijnse en de Griekse Kerk. Toch leek het in de 15e eeuw te gaan lukken. Op het Concilie van Bazel-Ferrara-Florence (1431-1442) leek het schisma eindelijk tot een einde te komen. Tijdens deze kerkvergadering, waaraan de Byzantijnse keizer Johannes VII Palaeologus en honderden Griekse bisschoppen deelnamen kwam men tot een oplossing die werd opgetekend in de bul Laetentur coeli. In een daarin opgenomen herenigingsdecreet stonden de volgende voorwaarden:

  1. De Grieken moesten het Filioque aanvaarden, zonder dat ze de formule echter hoefden op te nemen in hun geloofsbelijdenis;
  2. De Griekse gewoonte om in de Eucharistie gedesemd brood te consecreren was geldig;
  3. De Grieken moesten de leer van het Vagevuur onderschrijven;
  4. De Grieken moesten erkennen dat de Bisschop van Rome bekleed was met het hoogste kerkelijke gezag.

Felle Griekse weerstand
Het decreet werd ondertekend door een groot deel van de Griekse factie, bestaande uit de keizer, 33 patriarchen, bisschoppen en priesters. De invloedrijke metropoliet van Efeze, de door de Grieken heilig verklaarde Markos Eugenikos, tekende evenwel niet en gaf daarbij voeding aan de vele tegenstanders van de unie. Vooral de Griekse monniken waren fel tegen de hereniging gekant. Feitelijk werd Laetentur coeli nooit uitgevoerd, dus praktisch gezien bleef het schisma bestaan. Toen Constantinopel in 1453 door de Turken veroverd werd, verdween het herenigingsdecreet geheel naar de achtergrond.

Opheffing van de banvloeken in 1965
De vijandigheid tussen Rome en Constantinopel werd uiteindelijk in 1965 officieel beëindigd. Dat was het resultaat van de vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie. Mede onder invloed van paus Johannes XXIII (1958-1963), die van 1934 tot 1944 pauselijk gezant in Griekenland en Turkije was geweest, ontstond een nieuwe kijk op het Oosters Christendom. De kennis van de Byzantijnse Ritus nam toe, vooroordelen verdwenen en het respect groeide. Baanbrekend was de ontmoeting van paus Paulus VI (1963-1978) met patriarch Athenagoras I (1948-1972) van Constantinopel, in 1964 te Jeruzalem. De wederzijdse banvloeken van 1054 werden een jaar later plechtig opgeheven. Dit gebeurde in een gezamenlijke verklaring die tegelijkertijd publiekelijk in Rome en Istanbul werd voorgelezen, en wel op 7 december 1965, op de vooravond van de plechtige afsluiting van het concilie.

Waarom het Schisma toch nog voortbestaat
De patriarch van Constantinopel is binnen de orthodoxie de primaat van alle oosterse bisschoppen. Vandaar zijn titel Oecumenische Patriarch, van het Griekse oikumenè, dat 'de gehele bewoonde wereld' betekent. Toch is zijn primaatschap slechts protocollair; hij heeft niet de macht die de paus wel heeft. Bovendien vertegenwoordigt de patriarch slechts een paar duizend gelovigen. Toen Athenagoras zich met zijn Romeinse evenknie verzoende, stuitte dat op weerstand van de andere orthodoxe patriarchen, vooral die van Moskou. Ofschoon het Grote Schisma in 1965 min of meer werd beëindigd, is het praktisch nog steeds van kracht.

Pausschap een struikelblok voor het Oosten
De bisschoppen van de orthodoxie, de patriarch van Moskou voorop, weigeren de paus als hoofd van de Universele Kerk te aanvaarden. Dat neemt niet weg dat binnen de orthodoxie de Bisschop van Rome als opvolger van Petrus een unieke positie inneemt. Alleen de manier waarop de pausen in de geschiedenis aan hun primaatschap invulling hebben gegeven, blijft voor de orthodoxen een groot probleem. Vooral het dogma van de Pauselijke Onfeilbaarheid van 1870 lijkt een onoverbrugbare kloof tussen katholieken en orthodoxen te zijn. De orthodoxe kerken kunnen alleen het onfeilbare leergezag van de paus erkennen als hij in samenspraak met alle bisschoppen, vergaderd in volstrekte collegialiteit op een Oecumenisch Concilie, uiting aan zijn primaatschap zou geven.

Johannes Paulus II en Benedictus XVI
Paus Johannes Paulus II (1978-2005) besefte het orthodoxe bezwaar tegen het primaatschap ten volle en riep theologen van oost en west op na te denken over de vraag hoe het pausschap verantwoord kan worden ingevuld zo, dat dat het niet langer als een obstakel voor eenheid kan worden gezien. Zijn opvolger Benedictus XVI gaf bij aanvang van zijn pontificaat in 2005 aan de eenheid met de orthodoxie hoog op zijn prioriteitenlijst te hebben staan.

Oosters nationalisme een stuikelblok voor het Westen
Afgezien van het probleem van het pauselijk primaatschap, bestaat er aan katholieke zijde bezwaar tegen het etnocentrisme van de Orthodoxe Kerken. Hoewel zij zeggen universalistisch te zijn en het zogeheten etnofyletisme in 1872 als ketterij veroordeelden, blijken zij zich in de praktijk vaak te vereenzelvigen met de nationale cultuur. Niet zelden uit zich dat in kerkelijk nationalisme. Dit strookt niet met de wijze waarop de Katholieke Kerk zichzelf ziet. 'Katholiek' betekent immers 'universeel'; zij is niet gebonden aan een volk, een ras of een taal, maar beoogt juist de vereniging van de gehele mensheid.