Heiligverklaring

Een heiligverklaring of canonisatie is een handeling van de hoogste kerkelijke autoriteit waardoor een gestorven persoon de status van heilige krijgt. In de regel gaat aan een heiligverklaring een kerkrechtelijk proces vooraf, waarin is vastgesteld dat de betreffende persoon gedurende zijn aardse leven een geloofsheld was en daarom vererenswaardig is.

De Catechismus van de Katholieke Kerk (CKK) zegt over heiligverklaring: “Door sommige gelovigen heilig te verklaren, d.w.z. door plechtig af te kondigen dat deze gelovigen op heldhaftige wijze de deugden te hebben beoefend en geleefd hebben in trouw aan Gods genade, erkent de kerk de kracht van de Geest van heiligheid die in haar is, en door hen als voorbeelden en voorsprekers te geven aan de gelovigen ondersteunt zijn hun hoop” (nr. 828).

Voorsprekers
Heiligen (Latijn: sancti) zijn met Christus verenigd in de hemel. “Zij houden niet op voor ons bij de Vader ten beste te spreken door hem de verdiensten aan te bieden die zij hier op aarde verworven hebben door de ene Middelaar tussen God en de mensen, Jezus Christus. Daarom is hun broederlijke zorg een zeer grote steun voor onze zwakheid” (CKK 956). Dit ten beste spreken heet ‘voorspraak’. Heiligen of kandidaat-heiligen worden door gelovigen aangeroepen, dat wil zeggen dat hun voorspraak wordt ingeroepen.

Paus
Als iemand is heiligverklaard, wordt zijn naam op de canon (officiële lijst) van de heiligen geplaatst, vandaar de term ‘canonisatie’. In de Katholieke Kerk heeft de paus thans het alleenrecht om iemand te canoniseren. Het decreet daartoe zou volgens veel katholieke theologen een uitoefening zijn van pauselijke onfeilbaarheid. Thomas van Aquino zegt over het canonisatiebesluit: “Aangezien de eer die we aan een heilige betuigen in een bepaalde zin een belijdenis is van geloof, namelijk dat we geloven in de heerlijkheid van de heiligen, moeten we vroom geloven dat het oordeel van de Kerk in deze niet vatbaar is voor dwaling” (Quodlib. IX, a. 16).

Formule
De Latijnse formule voor de heiligverklaring wordt tijdens de openbare plechtigheid door de paus uitgesproken. Der vertaling daarvan luidt: “Ter ere van de Heilige Drie-eenheid, voor de glorie van het katholieke geloof en de ontwikkeling van het christelijk leven, met het gezag van Onze Heer Jezus Christus, van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus en van onszelf, na langdurige overweging, na de goddelijke bijstand veelvuldig te hebben ingeroepen en na de opinies van vele van onze Vaders in het Bisschopsambt te hebben geluisterd, verklaar en definieer ik als heilige de Zalige N.N. en schrijf ik hem/haar/hen bij in het register der heiligen en beveel ik dat hij/zij/zij in de gehele Kerk onder alle heiligen devoot word(en) geëerd.”

Volk van God
Personen die worden gecanoniseerd hebben reeds de status van ‘eerbiedwaardige’ en daarna ‘zalig’ verkregen. Maar voordat een zaligverklaringsproces wordt opgestart, moet er bij gelovigen een verering voor de overleden persoon bestaan. De cultus van een geloofsheld is dus iets van onderop en wordt niet door de hiërarchie opgelegd. Het is het volk van God dat om een zalig- of heiligverklaring vraagt.

Wonder
Een kandidaat wordt een ‘eerbiedwaardige dienaar Gods’ genoemd als van hem/haar is vastgesteld dat hij/zij een martelaar was of dat hij/zij in christelijk geloof op heldhaftige wijze een deugdzaam leven leidde. In geval van een martelaar is er geen wonder op diens/dier voorspraak vereist; in geval van de heldhaftig deugdzame belijders wel. Een wonder houdt meestal in een miraculeuze genezing. Kerkelijke erkenning daarvan komt pas nadat een commissie van medici heeft vastgesteld dat er voor de genezing geen medische verklaring te geven is. De eis van een wonder is ingesteld om er als het ware een bovennatuurlijke bevestiging van te krijgen dat de kandidaat-zalige een voorspreker in de hemel is.

Zaligverklaring
Alleen eerbiedwaardigen (martelaren of belijders) komen in aanmerking voor zaligverklaring. Sinds het jaar 1634 is het uitsluitend de paus die iemand zalig verklaart (beatificare). Een zalige mag niet vereerd worden in de universele Kerk, maar in de particuliere kerk, bijvoorbeeld het diocees waar de zalige vandaan kwam.

Wonder
Volgens de huidige regelgeving wordt een zalige pas heilig verklaard, nadat er op zijn/haar voorspraak een wonder is gebeurd. Canonisatie betekent in feite dat de cultus voor de betreffende persoon wordt uitgebreid van de particuliere naar de universele Kerk, vandaar dat men ook wel spreekt van extensio cultus (‘uitbreiding van de cultus’). Bij gecanoniseerden komt er in het Nederlands ‘Sint’ (van Sanctus), ‘St.’, ‘Heilige’ of ‘H.’ voor hun naam te staan.

GESCHIEDENIS

Martelaren en belijders
In het vroege christendom waren het alleen de martelaren die als heiligen werden vereerd. In de vierde eeuw kwamen daar de confessores (belijders) bij: de gelovigen die op bewonderenswaardige wijze hun geloof hadden beleden, maar dat niet met de dood hadden hoeven te bekopen. Voorbeelden zijn Martinus van Tours en Hilarius van Poitiers. Hun namen werden bijgeschreven op de diptieken, de lijsten van heiligen die in de liturgie werden vereerd.

Bisschop
Het was niet zo eenvoudig om vast te stellen of iemand werkelijk een vererenswaardige belijder was geweest. De lokale bisschop bepaalde daarom wie publiekelijk mocht worden vereerd en wie niet. Uiteindelijk gold dat ook voor de martelaren. Of personen daadwerkelijk gestorven waren ten gevolge van hun geloofsgetuigenis, werd na verloop van tijd object van gedegen onderzoek naar de omstandigheden en de feiten van de betreffende dood.

Metropolitane aangelegenheid
In latere eeuwen was de canonisatie een zaak geworden voor de metropoliet, de bisschop van een metropool. Het onderzoeksproces startte in het diocees waar de kandidaat was gestorven. Van de resultaten werden aktes opgemaakt en doorgestuurd naar de metropoliet. Na overleg met diens suffragane bisschoppen verklaarde hij of de overledene publiekelijk al dan niet als martelaar of belijder mocht worden vereerd.

Altaar
De relieken van de martelaar of martelares werden plechtig overgebracht naar een kerk die te zijner of harer eer was gebouwd. Bovenop zijn of haar graf werd dan een altaar opgericht. De roem van sommige martelaren was soms zo groot dat zij ook werden vereerd buiten de kerkprovincies waar zij ‘tot de eer der altaren’ waren verheven.

Voorbehouden aan paus
Na het verval van het West-Romeinse Rijk werd de bisschop van Rome steeds vaker gevraagd om zich uit te spreken over kerkelijke canonisatieprocessen die dienden in het Latijnse Westen. Wanneer de paus voor de allereerste keer iemand buiten zijn eigen kerkprovincie heilig verklaarde, is niet bekend. Het oudst bekende voorbeeld is de canonisatie van bisschop Udalric van Augsburg door paus Johannes XV in het jaar 993. Maar daarna bleven ook andere bisschoppen personen heilig verklaren; de laatste keer dat zulks gebeurde was bij Sint Walter van Pontoise door aartsbisschop Hugo de Boves van Rouen in 1153. In 1170 bepaalde paus Alexander III per decreet dat canonisatie in de Westerse Kerk voortaan was voorbehouden aan de bisschop van Rome. Dit besluit werd bevestigd door paus Innocentius III in 1200.

Codex 1917
Paus Urbanus VIII (1623-1644) vaardigde wat betreft het canonisatieonderzoek procedurele normen uit. Deze werden uitvoerig becommentarieerd door de canonist Prospero Lambertini (1675-1758), de latere paus Benedictus XIV. Dit vijfdelige werk, De Servorum Dei beatifιcatione et de Beatorum canonizatione, zou tot de 20ste eeuw regelgevend zijn. Het werd verwerkt in het eerste kerkelijke wetboek van de Katholieke Kerk, de Codex van Canoniek Recht van 1917. Een van de meest in het oog springende bepaling met het oog op een uitgebalanceerde rechtsgang was het ambt van promotor fidei. Het was zijn taak om te pleiten tegen canonisatie, vandaar zijn bijnaam ‘advocaat van de duivel’.

1983
Paus Paulus VI besloot de vereiste procedure voor zalig- en heiligverklaringen te vereenvoudigen. Zijn bepalingen werden door paus Johannes Paulus II verwerkt in diens apostolische constitutie Divinus Perfectionis Magister (25 januari 1983). Op 7 februari 1983 promulgeerde de Congregatie voor de Heiligverklaringen de nieuwe normen. Opvallend was dat het ambt van de promotor fidei werd afgeschaft. Daarvoor in de plaats kwam de promotor iustitiae, die erop moet toezien dat er gedegen onderzoek naar de levenswandel van de kandidaat wordt gedaan. Onder Johannes Paulus II werd een record aantal personen zalig en heilig verklaard. De Poolse paus verklaarde 1.032 martelaren en 306 belijders zalig; hij canoniseerde 482 zaligen.

Uitzonderingen
Als een paus het voorbeeld van een bepaalde zalige van zo’n groot belang acht voor de universele Kerk, dan kan hij op eigen gezag besluiten om de cultus van de betreffende zalige uit te breiden. Aangezien de paus de hoogste wetgever in de Katholieke Kerk is kan hij afwijken van de geldende standaardregels. Zo heeft hij de macht om af te zien van de eis dat er op voorspraak van de zalige een wonder moet gebeuren vooraleer die kan worden heilig verklaard. Paus Franciscus besloot daartoe in het geval van de zalige Johannes XXIII, omdat de heiligheid van Angelo Roncalli (‘de Goede Paus’) volgens hem evident was.

Canonizatio aequipollens
Sommige personen worden reeds lange tijd als een heilige vereerd maar zijn nooit officieel heilig verklaard. Als de paus dat wil, kan hij de reeds bestaande cultus bevestigen en uitbreiden naar het niveau van de universele kerk. Het decreet waardoor een paus personen de status van heilige verleent zonder formeel proces of heiligverklaringsplechtigheid, wordt in het Latijn canonizatio aequipollens (‘canonisatie met gelijke kracht’) genoemd. Voorbeelden van heiligen die op deze buitengewone wijze werden gecanoniseerd zijn Romualdus, Bruno van Keulen, Petrus Nolascus, Raymundus Nonnatus, Johannes van Matha, Felix van Valois, koning Stefanus van Hongarije, hertog Wencesclau van Bohemen, Gregorius VII, Gertrudis van Helfta, Petrus Damiani, Bonifatius, koningin Margaretha van Schotland en Albertus de Grote. Paus Benedictus XVI canoniseerde zo Hildegard van Bingen. Paus Franciscus breidde de cultus van deze zaligen op de wijze van canonizzazione equipollente uit: Angela van Foligno, Petrus Faber, José de Anchieta, Marie de l'Incarnation en François de Montmorency-Laval.

Plechtigheid
De reguliere canonisaties vinden tegenwoordig vooral plaats tijdens hoogmissen in Vaticaanstad, meestal op het Sint-Pietersplein, waarbij er enorme portretten van de nieuwe heiligen getoond worden. Soms vindt een heiligverklaring plaats tijdens een pausbezoek aan een land. Voorbeeld daarvan is de canonisatie van 103 Koreaanse martelaren door Johannes Paulus II op 6 mei 1984 tijdens een openluchtmis in Seoel. De canonisatieformule wordt uitgesproken voorafgaande aan de woorddienst van de eucharistieviering. Het is goed gebruik dat de staatshoofden of regeringsleiders van de landen waar de heilige vandaan kwamen bij de plechtigheid aanwezig zijn. Zo waren de Belgische koning Albert II en koningin Paola in Rome tijdens de canonisatie van pater Damiaan de Veuster op 11 oktober 2009.