In de Bijbel is op meerdere plaatsen sprake van het ritueel gebruik van de plant hysop.

Hysop (hyssopus officinalis) is een soort meerjarige bloeiende plant uit de lipbloemenfamilie (Lamiaceae). 

In de Heilige Schrift is meerdere malen sprake van het ritueel gebruik van hysop, althans volgens vele vertalingen. In de Hebreeuwse Bijbel staat het woord אֵזוֹב (ezov), dat in de Septuagint is vertaald met ὕσσωπος (hussoopos). 

Tegenwoordig wordt door vele exegeten aangenomen dat het in de Schrift niet gaat om hyssopus officinalis maar om origanum syriacum (Syrische oregano), die daardoor soms ook ‘Bijbelse hysop’ wordt genoemd. Deze plantensoort behoort eveneens tot de lipbloemenfamilie.

Origanum syriacum, afkomstig uit het Midden-Oosten, wordt tot 1 meter hoog. De plant wordt bestoven door bijen. Haar bloemen zijn klein en wit of lichtroze.

Het gebruik van ezov komt op meerdere belangrijke plaatsen in de Bijbel voor. Het dient tot cultische markering en reiniging.

In het Oude Testament komt het voor het eerste voor in Exodus bij de instelling van Pesach:  
Toen riep Mozes al de oudsten van Israël bijeen en sprak tot hen: ‘Ga voor uw families de dieren halen en slacht het paaslam. U moet ook een bundel hysop nemen en deze dopen in het bloed dat ge in een schaal hebt opgevangen. Dan moet u het bloed uit de schaal uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur.’ (12,21.22). 

In Leviticus treffen we het op vijf plaatsen aan: bij de reiniging van iemand die van huidvraat is genezen (14,4), waar het gemengd wordt met twee vogels, cederhout, karmozijn (14,6); dat mengsel wordt ook gebruikt bij de reiniging van een door zonde aangetast huis (14,49; 14,51 en 14,52). In Numeri wordt hysop, samen met cederhout en karmozijn, gebruikt bij het ritueel van de rode vaars (19,6) en bij de reiniging van iemand die met een lijk in aanraking is geweest (19,18). In het Eerste Boek der Koningen waar Salomo’s wijsheid wordt geprezen: Hij sprak met kennis van zaken over allerlei soorten bomen, vanaf de ceder op de Libanon tot de hysop die opschiet uit de muur; ook sprak hij over viervoeters, vogels, kruipende dieren en vissen (4,33 of 5,13). In het Boek der Psalmen bidt de boetvaardige David: ‘Besprenkel mij met hysop dan zal ik rein zijn’ (51,9).

In het Nieuwe Testament staat in het passieverhaal van het Johannesevangelie dat een spons met zure wijn op een hysopstengel werd gezet en naar de mond van de gekruisigde Jezus werd gebracht (19,29). En in de Hebreeënbrief blikt de auteur terug op het Mozaïsche verbond: Nadat Mozes alle geboden van de wet voor het verzamelde volk had voorgelezen, nam hij het bloed van de kalveren en bokken en ook water, scharlaken wol en hysop, en besprenkelde het wetboek zelf en heel het volk (9,19).